Pagina Genealogie

VOC

 

Smannen in de soldijboeken.

Een schout bij nacht in de familie

 

Op 20 maart 1602 werd de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht. De eerste naamloze vennootschap ter wereld. In de periode van haar bestaan (1602-1799) rustte de VOC 4.721 keer een schip voor de vaart naar Azië uit. In totaal zond men 3.356 maal van overzee een retourschip terug. Er waren 6 zogenaamde kamers, zeg maar vetrekhavens, vanwaar schepen werden uitgerust en vertrokken. Amsterdam, Zeeland (Middelburg), Enkhuizen, Delft, Hoorn en Rotterdam.

Vooral het bestaan van de kamers Delft en Rotterdam zal er toe hebben bijgedragen dat we een aantal familieleden aantreffen in de scheepssoldijboeken in de archieven van de VOC. Deze archieven zijn middels Internet beschikbaar gekomen en raadpleegbaar op achternaam. De navolgende opgave werd medio 2009 gevonden. [Voor de kamers Delft en Rotterdam worden dit veronderstelt volledige opgaves te zijn, er zal dus geen aanvulling meer op komen].

In de opgave treffen we (soms) ook opname van zogenaamde maand- en schuldbrieven aan. Werknemers van de VOC konden een maandbrief ondertekenen. Hierin stond dat meestal drie maandlonen per jaar door de Kamers kon worden uitbetaald aan de echtgenote, de kinderen of een van de ouders. Aan anderen mocht geen maandbrief worden verleend. De maandbrief was op naam gesteld en niet overdraagbaar of verhandelbaar. De VOC garandeerde dat de maandbrief bij voorrang werd uitbetaald wanneer de rekening van de ondertekenaar dat toeliet.

In het hoofd van de personeelsrekening werd altijd vermeld of de werknemer wel of geen maandbrief had verleend. In Azië moest men er dan voor zorgen dat er voldoende ruimte op de rekening bleef. Wanneer een werknemer getrouwd was, maar geen maandbrief had verleend, dan kon de eega met haar trouwboekje naar de bewindhebbers gaan om alsnog een maandbrief te laten opmaken. We kunnen dit zien als een vorm van onderhoudsplicht aan echtgenote, maar ook aan ouders of kinderen; zeker als dezen een beroep dezen op financiële ondersteuning van bijvoorbeeld de diaconie of weeshuizen.

Vaak ondertekenden opvarenden een schuldbrief, obligatie of transportceel, ook wel ‘vaderlandse schuld’ genaamd. Dit was een schuldbekentenis aan toonder en daarom overdraagbaar. Ook met dit formulier garandeerde de VOC dat deze bij voorrang zou worden afgelost uit het tegoed van het personeelslid.
Omdat deze schuldinschrijving (vorderingen) op de rekening van de werknemer werden geboekt als uitgave, was er meestal aan het einde van de uitreis een negatief saldo. Zolang het saldo ‘te kwaad’ was, betaalde de VOC in Azië maar beperkt loon uit.

Het was gebruikelijk dat in Azië per jaar zes maandlonen werden uitbetaald, maar de werknemer mocht ook onkosten maken. Vaak werden de schuldbrieven verleend aan ‘volkshouders’ die mensen leverden aan de compagnie. Volkshouders verstrekten aan ‘kansarmen’ huisvesting en soms ook een uitrusting en probeerden dezen bij de VOC onder te brengen. De kwaliteit van de mensen, huisvesting en uitrusting liet vaak veel te wensen over. In ruil voor hun diensten kregen de volkshouders vaak een schuldbrief die zij weer doorverkochten aan transportkopers. Zij werden ook wel ceel- of zielverkopers en zielkopers genoemd.

Opgave van inschrijvingen in de scheepssoldijboeken van de VOC, mei 2009.

Jan van der Sman uit Delft

Vertrek Inv.nr Folio Schip Beroep Maandbrief Eind Wegens Eindlokatie
1714 13903 95 Ter Horst Jongen Nee 1717 Repatriering Arendsduin
1718 13913 18 Westhoven Konstabelsmaat Nee 1719 Repatriering Raadhuis v. Middelburg
1719 13917 16 Ter Horst Konstabelsmaat Nee 1721 Repatriering Ter Horst
1722 13924 13 Herstelling Konstabel Nee 1723 Repatriering Barbestein
1724 13929 8 Noordbeek Derdewaak Nee 1725 Repatriering Ter Horst
1725 13933 5 Goudriaan Onderstuurman Cornelia 1727 Repatriering Borssele
1727 13939 5 Den Dam Onderstuurman Cornelia 1728 Overleden Den Dam

Deze Jan van der Sman uit Delft heb ik (nog) niet kunnen plaatsen in de stamboom. Dat gaat nog wel lukken en op termijn zult u hier een link aantreffen naar zijn genealogische gegevens. Vooralsnog heb ik hem opgenomen omdat zijn levensloop een prachtig inzicht geeft in de wijze waarop hij zich in dienst van de VOC een positie verwierf; van "jongen" tot "onderstuurman". Gezien de relatieve snelheid waarmee hij de rangen doorliep (hij zal rond de 30 geweest zijn toen hij onderstuurman werd) zat er misschien wel meer in als hij niet gestorven was.

Zoals we zien kwam hij in 1714 in dienst als "jongen" en was hij toen dus jonger dan 17 jaar. Hij moet begin 1725 gehuwd zijn met Cornelia, vanaf 1725 immers heeft hij een maandbrief getekend waardoor (een deel van) zijn verdiensten naar haar werden overgedragen. Hij is "in het harnas" gestorven, op zijn toenmalige schip Den Dam, een fluit gebouwd in 1716 voor de kamer Enkhuizen op de werf te Delft. Jan overleed op de retourreis van Batavia naar de kamer Delft via Kaap de Goede Hoop, rond de 28 jaar oud. Hij heeft dan 14 jaar gevaren.

 

Dirkc Wouterse van der Sman uit Delft. (Lijn Huych, zoon van Wouter (VII-o))

Vertrek Inv.nr Folio Schip Beroep Maandbrief Eind Wegens Eindlokatie
1701 13878 139 Donkervliet Bootsgezel Nee 1704 Repatriering Donkervliet
1704 13884 76 Donkervliet Bosschieter Nee 1712 Vrijburger Azie

Dirk kennen we wel. Hij is een zoon van Wouter (VII-o), geboren 29 november 1683 en dus 18 jaar oud als hij aanmonstert als bootsgezel op de Donkervliet. Hij is relatief lang in dienst en maakt flinke reizen, steeds op hetzelfde schip, de Donkervliet, een spiegelretourschip gebouwd in 1696 in Middelburg voor de kamer van Rotterdam. Ze verging in 1718 bij Macassar. Interessant is dat Dirkx in 1712 afmonsterde en in Azie (vermoedelijk Batavia) een bestaan ging opbouwen. Hoe het hem daar vergaan is zal uit onderzoek ter plaatse duidelijk moeten worden. Hij voer onder een schuldbief, we moeten aannemen dat hij die in 1712 afgelost had, of dat die werd overgenomen door zijn nieuwe werkgever.

 

Wouter van der Sman uit Delft

Vertrek Inv.nr Folio Schip Beroep Maandbrief Eind Wegens Eindlokatie
1711 13898 160 Hoedekenskerke Jongen Nee 1714 Repatriering Nederhoven
1714 13904 92 Nederhoven Matroos Nee 1716 Repatriering Samson
1716 13908 89 Haringtuin Matroos Nee 1720 Repatriering Noord Waddinxveen
1722 13924 18 Herstelling Kwartiermeester Nee 1723 Repatriering Leiden
1724 13929 15 Noordbeek Botteliersmaat Nee 1725 Repatriering Ter Horst
1726 13936 13 Langenrode Bottelier Nee 1727 Repatriering Stadhuis van Delft
1729 13943 23 Goudriaan Kwartiermeester Nee 1729 Overleden Goudriaan

Ook Wouter heb ik (nog) geen plekje kunnen geven in de familiehistorie. Ook hij heeft een langdurig en interessant vaarverleden waardoor opname interessant werd. Hij kwam in 1711 in dienst als jongen en zal dus rond 1695 geboren zijn. Als hij in 1729 op de Goudriaan (een fluit gebouwd in 1719 te Delft voor de kamer Delft) overlijdt is hij rond de 34 jaar en heeft hij 18 jaar gevaren.

Zoals we zien heeft hij een tweetal reizen gemaakt samen met Jan van der Sman. Reis nr. 13924 op de Herstelling en reis nr. 13929 op de Noordbeek. Jan was daar respectievelijk Konstabel en Derdewaak, Wouter Kwartiermeester en Botteliersmaat. De Herstelling vaart van Goeree naar Batavia via de Kaap met 127 zeelieden en 59 soldaten aan boord. De Noordbeek maakt dezelfde reis met 133 zeelieden en 66 soldaten. Van de Herstelling is het scheepstype onbekend, de Noordbeek was een zogenaamd "Spiegelretourschip".

Jan en Wouter hebben elkaar dus gekend. Wouter zal een jaar of 5 ouder geweest zijn en was ook 3 jaar eerder in dienst bij de VOC. Natuurlijk waren ze familie van elkaar maar of ze elkaar ook als familieleden in Delft goed kenden? Het zou kunnen en dan zou Wouter zelfs een voorbeeld geweest kunnen zijn voor Jan. Maar beiden sterven jong en op zee en in die zin heeft het VOC leven hen wellicht niet gebracht wat ze er van hebben gehoopt. Overigens voer er op de Herstelling nog een van der Sman mee, een Dirk uit Delft (maar niet Dirkx Wouterse natuurlijk). Hij is op dat moment "jongen", jonger dan 17 dus. Dat geeft een geboortedatum van plusminus 1707-1708. Ook een min of meer direct familielid? Wie zal het zeggen. In principe is het zelfs mogelijk dat hij een zoon is van Wouter en met vader meevaart. Ook voor hem loopt het niet goed af. Deze eerste reis is tevens zijn laatste. Hij overlijdt te "Azië".

[We kunnen ons overigens afvragen welke verwachtingen deze familieleden hadden bij het aanmonsteren bij de VOC. Het was een notoir slechte werkgever en moest zich tevredenstellen met personeelsaanvoer uit de lagere sociale lagen vande maatschappij. De verdienste was schamel; omgerekend 5 euro per maand en men ging (verplicht) een dienstverband van 5 jaar aan. Maar... vaak was het toch weer beter dan de omstandigheden thuis.]

Tenslotte dan, zijn er nog twee van der Smannen die samen voeren, althans een reis samen hebben gemaakt. Adrianus van der Sman uit Delft en Willem Sman uit De Rijp. Zij voeren in 1766 samen op de Vrouwe Anthoinetta Koenrardina van Goeree naar Batavia alwaar zij (beiden) overleden zijn. Zij zullen elkaar voor die tijd niet als familieleden hebben gekend, de Noord-Hollandse tak (zonder van der) was al geruime tijd daarvoor "afgescheiden".

 

Naast deze varensgezellen geeft het archief van de VOC nog een aantal inschrijvingen op de naam Sman, van der Sman. Maar deze zijn (nog) niet te koppelen aan de familieregisters en verder niet bijster interessant zodat ik ze hier niet opnam. Mocht koppeling in de toekomst alsnog lukken dan worden ze natuurlijk alsnog opgenomen. Geinteresseerden verwijs ik in de tussentijd naar de site VOC-opvarenden.

 

Naast de officiële inschrijvingen in de soldijboeken is er nog een VOC bron namelijk de "Dagh-Registers" In het dagregister Batavia 1683, [s.a.]. Daghregister van ‘t Casteel Batavia van het jaar 1683. - [s.l.]: Arsip National Republik Indonesia, [s.a.]. [nl]. vinden we een wel heel opvallende vermelding; namelijk dat Cornelis (Claeszn.) tot schout bij nacht wordt gemaakt over de retourvloot van 1691. Hij zal daartoe de vlag van de kruijssteng laten waijen op het schip "De Faam". (zie hier de originele tekst excerpt onderstaand).

13 Augustij 1686
• de schipper Cornelis Sman van Schouwen en Willem Bruggraaffe van de Faam te laten wisselen, p. 1003

Maandag 25 Junij 1691, voormiddag.

In iegenwoordigheid van alle de leden, assumptis d' E. Joan Bernhard de Ruhe,
Commandeur der anwesende retourvloot, mitsgs. Bruijn Jansz,
[1] Cornelis Sman, [2] Gillis Brouwer, [3] Pieter Goedland, [4] Gerrit Kriek, Huijbert Hoffen,
[5] Balthes Doen, Jan Michielsz en Jan Nobel,
alle schippers in dienst der E.Comp. op derselver hier ter rhede geankerde retourvloot bescheiden.

D' Edle. Heer Gouverneur ter vergadering voorgedragen en bekend gemaakt hebbende,
hoe onder hem nog berustende en in bewaring waren drie onderscheide en successivelijk met 's Comps.
uijtkomende schepen hier angebragte beslote brieven, geschreven bij de Heeren gevolmagtigde
Bewindhebberen tot de Secrete saaken, en gerigt an den Commandeur van onser Heeren Meesteren
retourvloot in desen jaare hier verwagt, en gemerkt deselve wel iets mogten behelsen 't welke
niet vervat stond in den briev op den 16 deser maand den E.Joan Bernhard de Ruhe, Commandeur
der anwesende retourvloot, in vergadering ter hand gesteld: So is ten meesten dienste van d' E. Comp.
en tot meerder gerustheid en versekering van ieders pligt, tot 't betragten van onser Heeren Meesteren
welvaart, eenpariger stemme verstaan en besloten de geseide drie versegelde brieven den E. de Ruhe ter
hand te stellen en hem t' auctoriseren die t' openen en te leesen, om sig na den inhoude van dien ten
dienste der retourvloot en des gemeene bestens te schikken, en na genomene lecture de meer-gemelde brieven
met syn E. cachet te sluijten, en so geslote den Ed. Hr. Gouverneur wederom ter hand te stellen, om deselve
an de Bataviase retourschepen t' overreiken.

Verders is ten dienste van d' E.Comp. mede eenpariger stemme verstaan en besloten 't jagt d' Engel Michael
nevens 't galjot d' Alida met de retourvloot ten dienste van deselve naar 't vaderland te laten vertrekken,
en op geseide vloot te verdeelen twe lootsluijden door onse Heeren Meesteren ten dien einde herward gesonden,
sullende de derde hier verblijven om op de verwagte Bataviase retourschepen gebruijkt te worden.

En om gemelde vloot niet ontbloot van bekwame gesaghebbers te laaten, So is eenhellig verstaan en besloten tot
vice-commandeur op deselve an te stellen den schipper, Gillis Brouwer, met ordre dat hij geduurende de reis de
vlagge van de voor-steng [6] op 't schip Goudestein sal hebben te laaten waijen.

En eindelijk is mede verstaan tot schout bij nagt der meergemelde vloot te maken den schipper
Cornelis Sman met de last om in zee zijnde de vlag van de kruijssteng te laten waijen,
en verders hun beide te dragen als trouwe, vroome en eerlievende Comps. dienaren betaamd en hun
Commandeur voorn. te respecteren en te gehoorsamen en Syn E. in alles met raad en daad bij te staan.

Aldus geärresteerd en besloten in 't Casteel de Goede Hoop ten dage en jaare als boven.
S. v. STEL / CORNELIS SMAN. / D. RUHE. / PIETER GOEDLANDT. / ANDS. DE MAN. / KRIECK. C. J. SIMONS. / W. PADT.
HUBERT HOFFEN. / N. DE JONGE VAN SIRJANSLANDT. / B. DOEN. / BRUIJN JANSZ. / JAN MICHIELSZ. / L. v. STEL.
JAN NOBEL. / J. H. BLUM. / GILLIS BROUWER.
Me praesente J. G. DE GREVENBROEK, Secrts.

Notes.
[1] Skipper van die Bantam.
[2] Skout by nag en skipper van die Faam.
[3] Vise-Kommandeur en skipper van Goudestein.
[4] Skipper van De Swarte Leeuw.
[5] Eerste skipper van die Berg China.
[6] Die woord "fokke" is deurgehaal en verander in "voor".

Cornelis komen we eerder tegen als schipper van "De Vrije Zee" een pinas en wel in 1681 en 1684. Kennelijk wordt hij later schipper van de "Schouwen" een spiegelretourschip (overigens wordt hij daar Kornelis Klaasz. genoemd) en, zoals we zien, uiteindelijk schipper van "De Faam", eveneens een pinas. Op de scheepslijst van De Faam wordt hij Cornelis Simon genoemd. De VOC archieven mogen dan zeer compleet zijn, een foutje of verschrijving was ook toen natuurlijk zo gemaakt.

 

Bootsgezel waak- en roergang; laden en lossen; reinigen, teren en kalfaten van het schip; af- en aanslaan van de zeilen; helpers van de onderofficieren. Ook wel matroos.
Bosschieter Ook wel Busschieter, fuselier, zeesoldaat, kanonnier.
Bottelier / Botteliersmaat Verantwoordelijk voor voeding en drinkwaren
Derdewaak Derde stuurman
Gerepatrieerd Teruggekeerd naar Nederland en afgemonsterd
Jongen jonger dan 17 jaar, allerlei karweitjes aan boord
Konstabel / Konstabelsmaat Scheepsofficier belast met de zorg voor geschut en munitie, ook kanonnier
Kwartiermeester Rang onder de bootsman. Hij deelde met hem de taken
Matroos waak- en roergang; laden en lossen; reinigen, teren en kalfaten van het schip; af- en aanslaan van de zeilen; helpers van de onderofficieren. Ook wel bootsgezel
Onderstuurman Helper van de stuurman
Schout bij nacht een vlagofficier, de derde in rang na luitenant-admiraal en viceadmiraal.
Vrijburger Ook "burger". Persoon die zich met toestemming van de compagnie vestigde op compagnies-grondgebied

 

Jacht en/of Pinas

Pinas

Het is niet zeker of de benamingen Pinas en Jacht hetzelfde type schip betreffen. In het begin van de 17e eeuw maakte men er althans geen verschil tussen. In de lijsten van de VOC gebruikt men soms beide benamingen voor hetzelfde schip. Om de verwarring nog groter te maken werd aan het eind van de 17e eeuw het spiegelretourschip ook wel pinas genoemd. De benaming jacht werd bovendien nog gebruikt voor speeljachten, statenjachten en zelfs voor sloepen die door de spiegelretourschepen werden meegevoerd. Tot de bouw van pinassen zou pas in 1652 door de Heeren XVII besloten zijn, hoewel er voor die tijd al kleinere soortgelijke schepen werden gebouwd. Van de grotere schepen werden twee versies gebouwd, een van 116 voet en een van 128 voet. De snelzeilende pinas, ontwikkeld uit de karveel, werd zowel voor de oorlog als voor de handel gebruikt. In tegenstelling tot de fluit had dit schip een platte spiegel en onderscheidde het zich slechts door zijn geringere afmetingen van een gewoon volgetuigd schip. De pinas had een vrij hoge boeg en twee dekken. Het onderste van de twee (de overloop) liep ononderbroken over de hele lengte. Het bovenste dek (verdek) was verdeeld in een iets verlaagde bak met een verhoogd bakdek. Daarna kwam een gedeelte van het verdek dat doorliep tot aan het schot van de stuurplecht, waarachter het verdek weer iets lager was. De hoge verschansing van het open dek verbergt alle scherpe contouren, zodat het een zeer evenwichtig scheepje is.
Ongeacht hun grootte hadden de schepen van dit type drie masten: de fokkemast, waartegen de boegspriet op het bakdek leunde; aan de boegspriet zat een blinde ra met blindeToon en bovenblinde; de grote mast, waarvóór zich het grootluik bevond en de bezaansmast met daarachter de kolderstokToon, die door dek en halfdek liep.

Spiegelretourschip

Gerechtigheid 1742
Model van de Gerechtigheid 1742.

Het retourschip of spiegelretourschip is voor het transport het meest belangrijke scheepstype. Daarom wordt dit type in de originele bronnen vaak niet apart genoemd, in tegenstelling tot andere scheepstypen. Qua uiterlijk verschilden de spiegelretourschepen niet veel van de oorlogsschepen van de Republiek. Zij waren over het algemeen bewapend met hetzelfde type kanon, maar minder in aantal. In tijden van nood konden deze schepen dan ook worden afgestaan aan de Admiraliteiten.
De meeste grote schepen van de Compagnie waren voorzien van een zonnedek voor de kampanje en een luchtververser op het halfdekToon, bijzonderheden die algemeen waren op deze schepen die de tropen moesten bevaren.
De spiegelretourschepen hadden niet alleen een grote ladingcapaciteit, maar waren ook geschikt om passagiers te vervoeren.
Het waren driemasters, waarvan de fokke- en grotemast onder-, mars- en bramzeilen voerden; de bezaansmast was getuigd met een kruiszeil en een langsscheeps Latijns zeil. Aan de boegspriet werd een blindeToon gevoerd. Aan het eind van de 17e eeuw werd de blinde vervangen door een boven-blindezeil, dat gedragen werd door een kluiverboom. Kenmerkend voor deze schepen is het galjoenToon, dat in de loop van de 17e eeuw van 1/5 scheepslengte werd teruggebracht tot 1/8 en minder. Vanuit het galjoen werden de zeilen van de boegspriet gemanipuleerd.
Dit belangrijke VOC-schip was door het dagelijks bestuur van de VOC in 1614 verdeeld in drie klassen. De grootste had een lengte van 150 voet (42,45 meter), daarna kwam die van 138 voet (39,05 meter) en het kleinste was 130 voet (36,80 meter). In 1626 werd overeenstemming bereikt over een grootste lengte van 160 voet (45,28 meter), alleen Zeeland mocht tot 170 voet (48,11 meter) bouwen.

Fluitschip

Ketting - Fluitschepen voor de VOCHet fluitschip is een betrekkelijk smal schip met vlakke bodem en, in tegenstelling tot spiegelschepen, een rond achterschip. Het type is vermoedelijk ontstaan in Hoorn omstreeks 1595. Aangezien de Sont-tol werd berekend volgens een formule waarin de breedte van het dek en de holte op de hals van het schip een rol speelde, werden de fluiten van de 17e eeuw gebouwd met sterk ingehaalde boorden. Een bijkomend voordeel was dat de hoge naar binnen lopende zijkanten het voor kapers niet gemakkelijk maakte om te enteren. Op de schepen die naar de Oost voeren was dat echter een groot nadeel, want op die route droogden de zijkanten zodanig uit dat het breeuwwerk eruit viel en de hitte binnen het schip ondraaglijk werd. In 1669 werd er echter een nieuwe berekening geïntroduceerd en van toen af aan werden de dekken van de fluiten langzamerhand breder.
De fluit had drie masten. De grote mast en de fokkemast hadden elk twee razeilen, beide trapezium-vormig en vrijwel gelijk in grootte. De beide masten waren hoger dan gebruikelijk waardoor er een aanzienlijk zeiloppervlak werd gevoerd. De bezaansmast had een langsscheeps latijnzeil, de boegspriet een blindezeil. Een galjoenToon ontbrak bij de op het Noorden varende fluiten vrijwel steeds, maar die hadden achter een gat, de houtpoort, waardoor hun houtlast geladen kon worden. De fluitschepen die voor de zuidelijkerroutes werden gebouwd, kregen meestal wel een galjoen en ook meer scheepssier.
Het smalle dek met korte loopafstanden , het eenvoudige zeilplan en een praktische opzet van staand en lopend tuig maakten de fluit een zeer goed, met kleine bemanning te varen schip.
De bewapening van de fluit was vooral defensief opgezet. Het schip had doorgaans slechts enkele stukken geschut, gewoonlijk op het overloopdek. De achtersteven bood door vorm en indeling weinig mogelijkheden voor het opstellen van zwaardere stukken. Vanwege de lading was het schip een potentieel doelwit. De sterk inspringende boorden van het schip bemoeilijkte eventuele enter-pogingen. Mocht dat toch lukken, dan kon de bemannning zich terugtrekken in kampanje en bakverblijf. Alle luiken en deuren waren met ijzeren banden verstevigd en konden van binnen worden afgesloten. Schietgaten, kruiselings aangebracht in kampanje en bak, maakten het de bemanning mogelijk zich met musketten tegen vijanden op het smalle dek te verweren.
De fluit werd gedurende de gehele bestaansperiode van de VOC intensief ingezet, zowel voor de reizen tussen Nederland en Oost-Indië als voor de verbinding tussen de handelsposten in de Oost. Gedurende ruim twee eeuwen werd dit type gebouwd, zonder dat principiële verbeteringen nodig waren. De belangrijkste wijzigingen in de loop van de tijd waren de invoering van een kruiszeil, bramzeilen en stagzeilen, om de snelheid op verre tochten verder op te voeren. Een ontwikkeling uit de fluit is de pink.