Turf

Turf, het veen. Onze vroegste broodwinning?

 

 

 

Waarom veenwinning? (Bron: Wad in't Veen van J.A. den Ouden)

Om in ons land te kunnen overleven moet 's winters worden gestookt. Aanvankelijk werd hiervoor het plaatselijk aanwezige hout gebruikt. Maar bij het groeien van de bevolking schoot de aanwas van hout tekort. Voordat steenkool, gas en olie ter beschikking kwamen was turf in deze streken veruit de belangrijkste energiebron. De Romein Plinius maakte hier in zijn reisverslag uit de eerste eeuw na Christus al melding van.

Tengevolge van de intensieve turfwinning, met name in de 17e en 18e eeuw, is een deel van het oorspronkelijke landschap in deze regio verdwenen. Het is echter de vraag of onze voorouders een alternatief hadden. Zonder turf zou dit gebied waarschijnlijk een dunbevolkte agrarische streek zonder steden zijn gebleven.

Mosveen
Er bestaan vele soorten veen en dus turf. De bovenste laag is nog te weinig verteerd en geeft te veel rook. Het veen dicht bij een rivier is vaak verontreinigd met zand en klei en geeft teveel as. Ook het verderop gelegen "bosveen" is dikwijls nog te ongelijkmatig van samenstelling. De beste turf komt uit boomloze, voedselarme middengebieden en is afkomstig van mossen etc. Deze hoog opgebolde en met water verzadigde moskussen (de zgn. hoge venen) waren in de middeleeuwen, vanwege de benodigde grondverbetering en bemesting, ongeschikt voor ontginning. Vandaar dat men ze links liet liggen.

Industrialisatie
Met de opkomst van de steden steeg tevens de behoefte aan brandstof. Vlaamse steden als Brugge, Gent en Antwerpen hadden rond 1200 de moeren (veengebieden) in het huidige Zeeuws Vlaanderen al geheel afgegraven en waren daarna begonnen in West-Brabant, tot vlak bij Dordrecht toe. Het op commerciële schaal steken van turf in deze regio was dus zeker niet onbekend.

Met de ontwikkeling van het graafschap Holland nam ook hier de vraag naar turf explosief toe. Niet alleen voor huisbrand maar ook voor de zich ontwikkelende industrie. Bierbrouwerijen, wasserijen, ververijen, pottenbakkers, steenfabrieken, iedereen had turf nodig en was bereid daar goed voor te betalen. De gebruikelijke manier in de Middeleeuwen was om de bovenste laag te verwijderen en die te gebruiken om terreinen elders op te hogen. Daarna werd de turf tot aan het grondwater uitgestoken en te drogen gelegd. Deze "speteling" (=uitgespitte turf) is licht van gewicht en snel brandend, wat juist in de industrie gevraagd werd.

Hoe verloopt de veenwinning? (Bron: De ontginning van Nederland door Sjef Hendriks)

De veenontginning verloopt volgens een vooropgesteld plan: De grond werd verdeeld in strookvormige percelen, op de grensscheidingen werden sloten gegraven voor ontwatering en men ging steeds verder het veen in.. Dat duurde net zolang tot de vrije afvoer van water via de perceelsloten to wateroverlast leidde.

Hoogveen

Aanvankelijk laag het nieuw ontgonnen veen hoog. Door inklinking en oxydatie daalde het maaiveld en uiteindelijk stonden ze zo laag dat ze alleen nog geschikt waren als grasland. Dan nog kon men doorgaan met veenafgraven. Dan ontstonden plassen waaruit men veen baggerde wat dan op de kanten te drogen werd gelegd. Dergelijke plassen ontstonden ook doordat ontsluitingswegen tussen de percelen door het water werden verzwolgen waardoor een plas steeds groter kon worden.

Hieronder is te zien hoe laagveen nat werd gewonnen. Op de voorgrond het baggeren, staand aan de oever, maar ook wel op een plank tussen boot en wal, of op de voorplecht. Zwaar werk waarbij men soms zelfs wel tot 5 meter diep ging. Rechts is zichtbaar hoe de uitgespreide baggerspecie door iemand met een soort ski-uitrusting wordt aangetrapt en verdicht. Midden achter wordt de ingedroogde bagger tot turf gestoken en op stapels te drogen gelegd. Links achter een turfschuur, waar de gedroogde turf wordt opgeslagen tot aan het transport per schip (tekst overgenomen uit Wad in't veen van J.A. den Ouden).

Turfsteken

Het Hollandse plassengebied

Veenwinning in Holland (Bron: De ontginning van Nederland door Sjef Hendriks)

In de Romeinse tijd bedekte veen het huidige grondgebied van Nederland. Het hele westen, ongeveer de helft van het noorden en een deel van het zuidoosten werden door veen bedekt.Vanaf Vlaanderen tot ver in Friesland lag het veen, slechts onderbroken door de mondingen van de rivieren Schelde, Maas, Rijn en Vlie. In het midden lag het Flevomeer, gevoed door de Overijsselse en Utrechtse Vecht, de Eem en de IJssel. Via de Vlie mondde het uit in de Waddenzee.Ten Oosten van het Drents plateau bevond zich het Drents-Groningse veengebied dat vrijwel ononderbroken doorliep tot in het Duitse Bourtangerveen.In het Zuidoosten lag het Peelmoeras op de grens van Brabant en Limburg.

In de vroege Middeleeuwen begonnen de eerste veenontginningen in West Friesland. De bevolkingstoename in Holland en Utrecht, mogelijk gemaakt door de gestabiliseerde bestuurlijke situatie, heeft de aanzet gegeven tot de ontginning van het veengebied daar. Daarbij werd begonnen met de aan de geestgronden grenzende broeklanden waardoor plaatsen ontstonden die op -broek eindigen (Bennebroek, Velserbroek). De volgende fase waren de meer oostwaarts gelegen Woudgebieden. Hierdoor ontstonden namen die eindigen op -woud, vaak corresponderend met namen op de geestgronden: Uitgeest-Uitgeesterwoude, Schoorl-Scharwoude etc.

Vervolgens begon men aan de dikke veenkussens in de voedselarme, centraal gelegen, gebieden. Hiervoor was het vaak nodig om weteringen te graven. Hier stammen de -veen namen vanaf: Noorderveen, Waddinxveen.

De Utrechtse bisschop en de Hollandse graaf speelden ook in op dit proces: Zij verkregen de rechten op de veenwildernis die door landsheren en hun leenmannen werden "gekocht". Hierdoor ontstaan de namen eindigend op "koop": Vriezekoop, Boskoop etc.

Onze voorouders -voor zover ze "veenmannen of -vrouwen" waren- haalden de turf uit de veenlagen in de Tedingerbroekse polder (Stompwijk - Nootdorp) waar namen als "Hooge Veen" en "Lage Veen" aan die situatie herinneren. Later, toen de veenwinning in dat gebied verboden of niet meer mogelijk was, trokken zij o.m. naar de poldergebieden rond het Rotterdamse.

Turf en de turfhandel

Turf is gedroogd veen, dat bestaat uit afgestorven planten. Het is zeer goed bruikbaar als brandstof en tevens kan er bij verbranding zout uit gewonnen worden. In de late Middeleeuwen werd de turf nog door de boeren zelf voor eigen gebruik gestoken. Door de groeiende vraag in het begin van de 16e eeuw werd een nieuwe manier van turfwinnen noodzakelijk om aan deze vraag te kunnen voldoen. Door de uitvinding van de baggerbeugel werd het mogelijk het veen onder de waterspiegel weg te baggeren, het zogenaamde slagturven. Dit uitgebaggerde veen werd te drogen gelegd op speciaal daarvoor bedoelde legakkers. Als de turven gedroogd waren en daardoor stevig genoeg, konden ze stukgeslagen en opgestapeld worden.

Een negatief gevolg van het slagturven was dat hierdoor enorme plassen ontstonden en het herstellen van deze landerijen veel geld en arbeid kostte. Ook de Nieuwkoopse plassen zijn ontstaan door dit slagturven.

Door de schade die aan het land ontstond door het slagturven gingen de hoogheemraadschappen vanaf de jaren '30 in de 16e eeuw regels invoeren om het slagturven tegen te gaan. Ondanks deze voorschriften werd de turfwinning geïntensiveerd. De toenemende vraag in de 16e eeuw door de groei van de bevolking en de industriële productie zorgden voor een explosie in de turfwinning en duizenden plattelanders werden afhankelijk van de winning en het vervoer van turf. De Hollandse turf werd voornamelijk naar Brabant, Vlaanderen (Antwerpen) en Zeeland uitgevoerd. Doordat de eerder genoemde voorschriften weinig effect hadden, werd er uiteindelijk een andere regel ingevoerd: vervening werd toegestaan, maar de verveenders waren verplicht geld in een fonds te storten waarmee latere droogmaking werd bekostigd (Van Dillen 1970: 220-221).

De turfgraverij was in verschillende opzichten van belang voor de economie van de Republiek. Allereerst was het de belangrijkste energiebron voor de huishoudens en de industrie. Tevens betekende de enorme toename van de turfwinning een grote stimulans voor de binnenscheepvaart en de uitbreiding van het waterwegennet. Vervolgens had deze verandering in het landschap ook grote gevolgen voor de agrarische sector. En als laatste was de turfwinning een belangrijke bron van werkgelegenheid. Ook vele gastarbeiders, voornamelijk uit Duitsland, werkten in de turfgraverijen (Van Stuyvenberg 1977: 148).

De belangrijkste kenmerken van turfwinning zijn dus dat het voor een makkelijk te verkrijgen en goedkope energiebron zorgde, enorme ontginningen het gevolg waren en de verbetering van de infrastructuur (met name het waternetwerk) een grote impuls kreeg.

In de vierhonderd jaar dat er in Nederland turf is gewonnen, is ongeveer 275.000 hectare grond van veen ontdaan. Men heeft ook berekend dat in de 19e eeuw minstens zoveel turf is gewonnen als in de 17e en 18e eeuw samen. Het gebruik van een energiebron werd vroeger altijd meer bepaald door de kosten van het vervoer dan de kosten van de winning. Vandaar dat de turfwinning al vroeg begonnen is. Het turfsteken, en later slagturven, was erg goedkoop doordat de turf vlakbij de waterspiegel lag en zodoende als het ware alleen maar opgeraapt hoefde te worden en direct vervoerd kon worden naar het consumptie-gebied. De laagveengebieden van Holland, Utrecht en Overijssel kwamen eerst aan de beurt (De Vries/Van der Woude 1995: 56-60). In het belangrijkste laagveengebied - het gebied tussen Naarden, Utrecht, Gouda, Rotterdam, Delft, Leiden, Haarlem, Alkmaar en Amsterdam - is meer dan 61.000 hectare land veranderd in water door het turfsteken (De Zeeuw 1978: 1-31). Centra van turfwinning in het begin van de 17e eeuw zijn Kudelstaart, Vrieskoop, Woubrugge, Leimuiden, Nieuwveen, Zevenhoven en Kalslagen (Van Schaik 1969: 141-205). Later werd ook turf gewonnen in de hoogveengebieden van Groningen, Friesland en Drenthe.

Door de toenemende vraag in de 16e eeuw veranderde de hele turfhandel. Van een kleinschalige basis voor lokale verkoop en eigen gebruik werd uitgebouwd naar grote ondernemingen, vaak opgezet door investeerders uit de steden van Holland en Utrecht.

Door de eerder genoemde uitvinding van de baggerbeugel kon het veen dieper worden opgegraven. Het economisch gezien zo belangrijke turfgraven zorgde daarmee voor een bedreiging van het leefmilieu en, wat nog erger was, de grond werd vervolgens nutteloos voor andere agrarische doeleinden. Ter bescherming van het land werden er daarom uitvoerverboden, beperkingen en heffingen opgelegd. Tot de tweede helft van de 18e eeuw werden ook veel veenplassen weer drooggemalen.

Een belangrijk gevolg van de turfhandel was de al eerder genoemde uitbreiding van het waterwegennetwerk. In de loop van de 17e eeuw werden nieuwe kanalen gegraven, grote sluizen gebouwd, de vaarten werden uitgediept en de kades vernieuwd. In eerste instantie werd dit gedaan met het oog op het vervoer van turf. Maar ook voor andere bedrijfstakken zorgde dit natuurlijk voor een verbetering van de economische situatie doordat ook voor de binnenscheepvaart de infrastructuur nu verbeterd werd. Na 1650 kwam een einde aan de kanaalaanleg, doordat ook de turfhandel vanaf de jaren '50 en '60 van de 17e eeuw afnam (De Vries/Van der Woude 1995: 56-60).

Net als de uitbreiding van het vervoersnetwerk zorgde ook de goedkope brandstof zelf voor veel investeringen in andere sectoren van de economie. Energie-intensieve industrieën als baksteen- en tegelbakkerijen, bierbrouwerijen en suikerraffinaderijen bloeiden door de lage brandstofkosten enorm op en breidden snel uit (Blok 1978-83, deel 7: 23-24).

Naast de miljoenen die de nieuwe stedelijke investeerders (voornamelijk edelen) in bijna 500 kilometer aan nieuwe kanalen in de 17e eeuw staken, zorgden zij tevens voor de stichting van dorpen in de buurt van de turfgraverijen om de duizenden tijdelijke arbeidskrachten onder te brengen. Vanuit deze dorpen brachten de turfschippers hun turf naar alle hoeken van de Republiek.

Over de enorme hoeveelheden turf die verscheept werden over de nieuwe vaarten zijn niet veel statistische gegevens bekend. In ieder geval was er in het Rijnland een sterke stijging tussen 1520 en 1560. De stijging bleef doorzetten tot ongeveer 1632. Vanaf toen was er een lichte afname. De jaarlijkse productie tussen 1680 en 1700 was ongeveer een vierde van die in 1632 (De Vries 1974: 202-204; De Vries 1976: 173).

In eerste instantie gebeurde het vervoer van de turf in kleine hoeveelheden over landwegen. Al snel ging men door de toenemende vraag over tot het vervoeren van grote hoeveelheden over water. Eerst nog over de natuurlijke waterwegen, later via de nieuw aangelegde kanalen. Er waren verschillende soorten schepen voor langere of kortere afstanden. Enkele gebruikte schepen voor de turfvaart zijn de bokken, pramen, tasken, snabben, tjalken, potten, pleiten, samoureuzen en schouwen. De grotere schepen konden een vracht van 40000 turven vervoeren. Zoals eerder gezegd is, werd door voorschriften en verordeningen geprobeerd de uitvoer van turf tegen te gaan. De legale uitvoer was dan ook niet zo groot, maar waarschijnlijk was de werkelijke uitvoer vele malen groter (Van Schaik 1969: 141-205).

Na het einde van de laatste ijstijd, zo'n 10.000 jaar geleden, ontstonden er veenlagen. Deze lagen vormden een opeenhoping van vele dode planten die door de vochtigheid niet vergingen. Er vormden zich ontoegankelijke moerassige veengebieden. De Kop van Overijssel bijvoorbeeld was een groot veengebied van ca. 15.000 ha. laagveen. De verveningtijd lag tussen de jaren 1300 en 1900: de eerste paar honderd jaar voor eigen gebruik en na 1500 ook voor de handel. Er werkten ± 5500 turfmakers en 2500 turfschippers in dit gebied. Vervening ging meestal in twee etappes: eerst het droge hoogveen eraf en soms een hele tijd later, werd het 'nattere veen' weg gehaald. Doordat in De Wieden bij Giethoorn tijdens zware stormen in o.a. 1776 grote meren waren ontstaan, werd de vervening aan regels gebonden. Er werd bepaald dat tussen de gaten waaruit het veen gegraven werd telkens een stuk land moest blijven liggen. De petgaten waaruit het veen werd gegraven heten trekgaten of weren. De tussenliggende stroken land, waarop het veen te drogen werd gelegd heten legakkers of ribben. Samen mochten een weer en een ribbe niet breder zijn dan 33 meter. Dit patroon is in het landschap van de Weerribben nog steeds zichtbaar. Het verveningswerk gebeurde in de 19e eeuw op de volgende manier: 
de arbeiders begonnen begin april met het weghalen van een eerste en een tweede spit van de bovengrond. Deze was namelijk niet geschikt om turf van te maken. 
Percelen met veel kienhout (onder water bewaard hout) in het veen, werden uitgeveend met een trekbeugel. Dat was een lange stok van ongeveer 4 meter met onderaan een ijzer beugel met daaraan een net van ineengevlochten touw. De trekker had dan een brede leren gordel om waaraan een band vast zat. Die band heette de pieste. Bij het trekken werd deze band om de trekstok geslagen en zo werd het veen als het ware met de rug losgetrokken. Dat was zwaar werk! Men kon zo tot ongeveer 3 meter graven.
 
De trekker stond op een plank die aan de ene kant op de wal lag en was bevestigd. Het trekvlot, waarop de trekker stond, verdween dan soms gedeeltelijk onder water. De plank op het trekvlot werd door het water en de bagger spiegelglad: daarom had de trekker klompen aan met spijkers in de zool. Soms had men wel een jute zak over de plank liggen. De trekker had aan de gordel  leren kniestukken  bevestigd. De schouders werden door een leren schouderstuk beschermd.
Veen zonder kienhout werd uitgespit met een houten schop die met ijzer was beslagen. de zogenaamde stek. Ook gebeurde dit wel met de ijzeren spitterschop. Dat vereiste de nodige handigheid. De spitter moest telkens oppassen dat de gestoken kluit niet van de schop afviel en in het water terechtkwam.
De getrokken of gespitte veenbagger kwam in de mengbak. Dit was een houten bak van twee bij twee meter en twintig centimeter hoog. Daarin stond de menger, die met zijn voeten de veenkluiten, vermengd met water, tot een gelijkmatige brei trapte: de veenspecie. De menger droeg hierbij klomplaarzen: houten klompen met daarop een leren schacht die tot net boven de knie reikte.
Met een schepemmer werd water in de mengbak geschept. Bij het mengen  werd ook de veenklauw gebruikt. Dit was een korte hark met lange tanden.
Het gemengde veen werd met de lichte houten schop, de mengjut, uit de mengbak geschept.
Daarna werd de bagger over de wal verspreid met het houten paard of overhaalder. Dat was een plank aan een lange stok.
Als een stuk veen (een pand) was verspreid, werd het afgemaakt op een dikte van 13 duim. Dat is 32,5 cm. Daarna werd de mengbak weggetrokken voor het volgend pand.
De tweede dag werd met de kantschop de kant langs het trekgat aangemaakt.
Daarna werd het afgemaakte veen tweemaal getrapt. Zo kreeg de veenspecie voldoende stevigheid voor de turven. De trapper liep hierbij op trappelborden. Dat zijn houten plankjes, die met touwtjes onder de voeten werden gebonden. Er werden ook wel klompen met brede, platte zolen gebruikt: stikklompen. Bij dit zware werk steunde de turfmaker op polsjes. Dit waren stokken met onderaan een rond plankje en bovenaan een handvat.
De laag uitgespreide veenspecie moest natuurlijk overal even dik zijn. De dikte van het gespreide rauwe veen werd bij het afmaken door de trekker zelf gecontroleerd op dikte met het trekkerspeil (13duim).
De turfmaker controleerde dit de volgende morgen voor hij begon te trappen met het turfmakers- of morgenpijl. Door het indrogen was de laan nu minder dik: 11 duim.
De derde dag werd er nog eenmaal getrapt. In totaal werd twee maal in de lengte en één maal in de breedte getrapt.
De volgende dagen werd op het getrapte veen lijnen getrokken. Dit gebeurde met de krabber. De lijnen kwamen in de lengte richting en ook dwars daarop.
Langs de aangebrachte strepen werd het veen gesneden. Dat heette doorhalen. Dat doorhalen gebeurde met een speciale schop: het stikijzer. Dit gebeurde ook wel met de stikrol. Dat was een lang mes wat tussen twee wielen zat. Het geheel was aan een lange stok bevestigd waaraan het mes door de turf werd getrokken. De stikrol werd ook wel het turfmachientje genoemd.
Het geharkte en gesneden veen bleef nu enige dagen op de zetwal staan drogen.
Als het gesneden veen voldoende was uitgedroogd werd het opgebroken. Hierbij werden enige turven uit de rij genomen en op de andere gestapeld. De natste turven werden bovenaan en naar het zuiden gelegd.
Na een week werd de opgebroken en nu drogere turf omgezet (doorgezet), waarbij de turf die nog niet los geweest was, bovenop werd gelegd. De turf werd dan nog enige malen gekeerd, totdat deze geheel droog was. In totaal duurde het drogen soms maar een paar dagen, soms ook enkele weken.
De turven, die nog niet voldoende droog waren, werden soms in kleinere of grotere torentjes gestapeld. Zo'n torentje heette een stoeke. De droge turven werden in grote hopen langs de weg of een vaart aan de vimme gezet, klaar voor transport. Per schip werden miljoenen turven via de Zuiderzee naar het westen vervoerd. Er waren langwerpige en vierkante turven. De langwerpige heetten sponturven en de vierkante baggelaars.
Omstreeks eind juni werd het werk gestopt. Geen turfmaker wilde het risico lopen, dat de turven niet droog zouden worden. Veel arbeiders zochten daarna ander werk, bijvoorbeeld maaiwerk bij de boeren. 's Winters werd de kost verdiend met bijvoorbeeld het vlechten van matten.
Veel veenwerkers woonden van april tot eind juni door de weeks in veententen. Dat waren primitieve hutten van vier meter in het vierkant, gemaakt van hout, riet en ruigte. Het was er vaak tochtig en klam. Langs de Hoogeweg moeten er meer dan honderd hebben gestaan. Er werd zes dagen in de week van 's morgens vijf tot 's avonds negen uur gewerkt. Het was heel zwaar, ook omdat veel werk bukkend gedaan moest worden. Veel arbeiders kregen rugklachten of zelfs een heel kromgegroeide rug.
In de Weerribben staan nu nog een aantal kleine vervenerswoningen. Deze zijn veelal maar acht meter lang. De fundering was vaak van turf gemaakt! Meestal was allen de voorgevel, waar de schoorsteen staat, van steen. De andere wanden waren van hout. De lange wand is 80 cm. hoog; de hoge wand 1,80 cm. De huisjes waren vaak in tweeën gedeeld. In het achterhuis was ruimte voor een paar geiten, gereedschap en werktuigen. In het woongedeelte woonde een heel gezin. Er waren onder de lage kant twee bedsteden met daar tussenin een kast. Op de foto ziet u het vervenershuisje aan de Woldlakeweg waar Klaas Veenstra en zijn nazaten jarenlang in hebben gewoond.
Veel veenarbeider waren erg arm.
Omstreeks 1920 kwam er in de Weerribben een einde aan de vervening. Toen was het bruikbare veen ongeveer op. De veenarbeiders die in de streek bleven wonen, probeerde aan te kost te komen met vissen en rietsnijden. Allen in de Tweede Wereldoorlog werden er ten noordwesten van de Meenteweg nog een aantal nieuwe petgaten gegraven.


Bron en dank aan: Harry Bouwman.