Het oudste bronmateriaal in onze familie plaatst ons op dat moment (1544) in de polder Tedingerbroek bij Nootdorp. Maar ook in Zoetermeer en Delft vinden we ver teruggaande opnames van de familie van der Sman. Waar we eerder vandaan zijn gekomen is helaas niet traceerbaar. Waarschijnlijk zijn we ooit eens in Delft neergestreken en van daaruit uitgevlogen naar de turfontginningsgebieden in de omgeving. (Terwijl tegelijkertijd delen van de familie overigens in Delft gevestigd bleven).

Die aanname, Delft als oorspronkelijke hoofdvestigingsplaats, zadelt ons gelijk op met het probleem dat we dan vastlopen in het zoeken naar ouder bronmateriaal ter ondersteuning. De stadsbrand in Delft (1536) immers heeft vrijwel het gehele stadsarchief van die tijd effectief vernietigd. Het is niet anders. Misschien vinden we ooit nog eens een lijntje, aanduiding, stukje geschiedenis, in kerk-, streek-, of polderarchieven, dat de familielijn verder naar het verleden brengt.

Hoe dan ook is 1544 (of 1448 wat ik gebruik als afgeleid geboortejaar van de aantoonbare maar niet bewijsbare voorouder Jorijs) een geweldig ver achter ons liggend jaartal. Ver genoeg achter ons liggend om te concluderen dat wij, 21e eeuwers, met die tijd eigenlijk geen echte affiniteit hebben. Met andere woorden; als we in die tijd teruggecatapulteerd zouden worden, in de schoot van onze toenmalige families, zouden we heel veel problemen hebben ons aan de leefomstandigheden van die tijd aan te passen. Dat hoeft gelukkig ook niet. Maar het is wel nuttig de gebruiken, normen en omstandigheden van de verschillende eeuwen die sindsdien voorbij zijn gegaan inzichtelijk e maken. Te laten zien waar en hoe die het normale alledaagse leven van onze voorouders hebben beinvloed. Daarom; summier als het moge zijn, onderstaand een historisch overzicht van de ontstaansgeschiedenis van de regio West- en Delfland en de steden, dorpen en gehuchten die daarin een rol speelden voor onze familieleden.

 

Algemeen regionaal Hodenpijl Veur
Abtswoude-Papswoude-Popteswold Leidschendam Vrijenban
Bergschenhoek Moerkapelle Zoetermeer-Zegwaart-Roggeveen
Berkel (en Rodenrijs) Nootdorp Zwaanshals
Bleiswijk Oude Leede en Strickleede  
Delfshaven Overschie  
Delft Stompwijk  
     
(Den Aften) Groenewech Scheyt Bovenwech Tedingebroeksepolder
Roel ofte Aertgensveen Hoogeveen Nieuweveen

Algemeen regionaal

ZuidHolland

 

Vanaf 2900 v Chr. tot 2250 v Chr. bestond het gebied tussen Den Haag, Gouda en Rotterdam uit wad, kwelderland en rietgorzen met ten dele brede kreken. Via de Rijn-Maasmond had het getij vat op deze "biesbos". Ons land was in deze tijd bewoond door vissers en jagers. Omstreeks 2400 v Chr. dringen andere volken het land binnen, die hier het wiel en de kopersmederij introduceren, bij Vlaardingen en Hekelingen zijn sporen van bewoning gevonden.

Ca. 2500 voor Chr. raakten Voorschoten, Leidschendam en Vlaardingen bewoond, hun cultuur wordt de Vlaardinger cultuur genoemd. Ongeveer vijf eeuwen heeft de Vlaardinger cultuur bestaan, ze wordt rond 2000 voor Chr. verdreven door de zee.

Ca. 2000 v. Chr. Meer zuidelijk was de Rotte een tak van de IJssel, die langs Nieuwerkerk en Terbregge moet hebben gelopen. Dit is te zien op luchtfoto's waarop de klei-afzettingen goed uitkomen. Ook de hoogtekaart, het huidige verloop van sloten en de opvallende versmalling van de Rotte bij Terbregge zijn hier aanwijzingen voor. Pas in 1164 zou deze IJsselarm bij een invasie van zee uit zijn verdwenen.

Na 1000 voor Chr. vindt infiltratie van Kelten en Germanen plaats.

Resten van aardewerk uit de 2e eeuw voor Chr. werden op de begraafplaats van de N.H. kerk te Hillegersberg gevonden in 1957. De berg te Hillegersberg heeft geen Romeinse bewoning gehad echter wel een pré Romeinse (dit o.b.v. de gevonden scherven op de begraafplaats). De donk (berg) te Hillegersberg is een pleistocene opduiking voornamelijk uit het Boven-Turbantien daterende afzetting van het laagterras. Hillegersberg, Hildegondsberg, Hellegaertsberg of Hidegaertsberg, waarvan zeker is dat de heuvel niet door mensenhanden is opgeworpen. In 1892 liet Prof. Reuvens ten westen van de op den heuvel gebouwde kerk boringen verrichten. Op een diepte van 3 1/2 meter trof hij een hellende veenlaag van 3 dm dikte, waarmede hij de natuurlijke samenstelling van de heuvel aantoonde.

De oudste sporen van mensen in het stroomgbied van de Rotte dateren vanuit de ijzertijd en zijn gevonden in de omgeving van Terbregge. Ruim 200 meter oostelijk van de huidige Rotte werd in 1920 bij het graven van een sloot een oude boot opgegraven. Het was een zogenaamde stakboot, die in een later verlande kreek lag: de bodem van de bedding bestond uit klei met wortelstokken van riet. Daar bovenop werden in het veen resten van moerasbos gevonden. Achter in de boot, die met stenen werktuigen uit eikehout is gehakt, is een brandplek te zien. Hij heeft een massieve, overhangende en van boven platte boeg, waarin een gat zit met een doorsnede van ongeveer 5 cm. Daar kan een stok doorgestoken worden, waarmee de boot kan worden vastgelegd. De stakboot heeft tenslotte een eigenaardige vaste versterking bij het achtereind (wrang) en de uitholling loopt naar achter staffelsgewijs op. Op grond van aardewekvondsten die ter plaatse werden gedaan, heeft men deze boot oorspronkelijk gedateerd op de 6e of 7e eeuw. In de veertiger jaren werden iets noordelijker potscherven gevonden bij het maken van een graskuil. De randen hiervan zijn gekarteld, doordat de makers er met de vingers in drukten. Men veronderstelt dat ze uit de 1e eeuw dateren. Ze vertonen zoveel overeenkomst met de eerder genoemde vondsten, dat men thans meent dat ook deze en de stakboot uit de 1e eeuw afkomstig zijn.

Tijdens de transgressiefasen voor de jaartelling overstroomde het stroomgebied van de Gantel, er ontstond een wijdvertakt stelsel van getijdekreken in het veengebied. Na verloop van tijd raakte de monding van de Gantel in de Maas (welke tussen Monster en 's Gravenzande in de zee uitmonde) verstopt en verlanden de kreken. Het gebied dat zich uitstrekte van Monster langs Poeldijk en Wateringen naar Delft en Pijnacker werd daardoor bedekt met vruchtbare klei en zand, het z.g. Ganteldek. De nu ontstane zand- en kleiruggen waren geschikt voor het bouwen van huizen en werden voor bewoning opgezocht. Aanvankelijk werd alleen de grond in de direkte omgeving van de oeverwallen vruchtbaar gemaakt. Vanaf de 8e eeuw werd de ontginning van de wildernis zelf ter hand genomen.

Romeinse tijd - 12 v Chr. - 450 na Chr.
58-50 voor Chr. verovert Julius Caesar Gallië. Hij bedwingt ook de Belgische stammen in het zuiden, o.a. de Menapiërs en de Eburonen. Tussen 51 en 12 voor Chr. vestigen de Bataven zich in de Betuwe en de Canninefaten zich in de duinstreek van Holland. Ongeveer 50 jaar voor Chr. kwamen de Romeinen door gebiedsuitbreiding naar het noorden in contact met de bewoners van wat nu Nederland is. De stammen die daar woonden hadden met elkaar gemeen dat het Germanen waren.

12-9 voor Chr. Veldtocht in Germanië van Drusus, onderwerping van de Bataven, de Friezen en de Chauci.

Kort voor het begin van onze jaartelling werden in het Maasmondgebied bij Vlaardingen al simpele houten duikers gebruikt; afwateringsgoten met een eenvoudig schuifmechanisme dat met de hand kon worden bediend. Dit systeem moet door de plaatselijke bevolking zijn ontwikkeld.

Turf als brandstof is al zeer oud. Al in 77 na Chr. maakt Plinius Maior in zijn "Historia Naturalis" melding van het feit dat de Chauken, een Germaanse stam aan de Noordzee tussen Eems en Elbe (het later verdronken land van de Zuiderzee), het slijk mat de handen kneedden om het vervolgens te laten drogen in de wind en de zon, waarna ze het gedroogde slijk gebruikten om hun ledematen te verwarmen."

De Corbulogracht, lengte 23 mijl, van Maas naar Rijn - ruwweg vanaf het castellum Matolone (Roomburg bij Leiden) via Naaldwijk naar het zuidwesten. (Na ca. 47 na Chr. aangelegd).

Voor het Romeinse publiek schreef de Romeinse senator Cornelius Tacitus een overzicht over het gebied en de gewoonten van de Germanen. In het jaar 98 was het boek klaar dat onder de naam "Germania" bekend zou worden. Tacitus begint met de mededeling dat het landschap voornamelijk bestaat uit 'ofwel borstelige wouden ofwel stinkende moerassen'. Hij vermeld dat onze voorouders roodachtig haar hadden. Maar deze rode kleur was niet natuurlijk; men gebruikte Bataafs schuim, een soort haarverf.

Eind 3e eeuw bestond het gebied dat later Delfland werd uit een slecht toegankelijke waterrijke wildernis, alleen de strandwallen waren voor bewoning geschikt.

Het is voorts bekend dat tal van plaatsen die in de Romeinse tijd bewoond waren - het Westland, belangrijke delen van Zeeland en zuiderlijk Zuid-Holland en het gebied van de grote rivieren - omstreeks de IV de eeuw na Chr. ontvolkt raakte. De oorzaak daarvan blijkt te liggen in een transgressie, die de oude bewoningsplaatsen voor een aanzienlijk deel met een
kleipakket afdekt. (De transgressieperiode (stijging zeewaterniveau) die van ca. 300 tot 800 na Chr. duurde en waarin de zee eveneens oude geulen benutte om het land binnen te dringen en de oevers te overstromen. In dit tijdvak werden in grote gebieden sedimenten van klei afgezet.) Er is goede reden om aan te nemen, dat het gehele veengebied onbewoonbaar is geworden na ca. 300 na Chr. Wij vinden namelijk in het onderzochte terrein een deklaag van uitgesproken veenklei, van een gebied vanaf de Oude Rijn naar het noorden uitwiggend tegen bosvenen.

Middeleeuwen ca. 450 na Chr. - 1500 na Chr.

De bewoning in het westen van ons land was in de vroege middeleeuwen vrijwel geheel bepaald door de bodemgesteldheid. Bewoning treffen we aan op de zand- en geestgronden, de rivierklei en op enkele eilandjes in het veen liggende oude klei. Deze laatste bewoning, op kleieilandjes, kwam voor in het gebied ten zuiden van Zoetermeer in Pijnacker en Berkel. (de Kleihoogt).

Middeleeuwse reizigers legden ca. 5 km per uur af zowel te voet als op een door een paard voortgetrokken wagen, per dag dus hoogstens 30 tot 50 km.

600-700
In de 7de eeuw werd het Maasmondgebied opnieuw vrij dicht bewoond. De archeologen beschouwen het als een kerngewest. Met deze naam worden streken aangeduid met een zekere oudheidkundig aantoonbare bewonersconcentratie.

Eind 8e eeuw kwam Karel de Grote aan de macht. Toen brak de z.g. Karolingsche tijd aan. Mensen vestigden zich bij Vlaardingen en Delft en op de oude strandwallen, rond de mond van grote rivieren en op de Rijnoevers. Willebrord schonk een stuk moeras aan het volk. Later werd daar de "Hof van Vlaardingen" gebouwd, naast enkele boerderijen en een kerkje.
"Men dient te beseffen dat in de twaalfde eeuw niet alleen de Maasmond zich veel verder noordelijk uitstrekte dan thans, zoodat Naaldwijk en Monster aan den rand van het vasteland lagen, maar bovendien verscheidene wateren nog in open verbinding met de zee stonden: De Schie, welks bovenloop, gelijk gezegd, denkelijk door de Oude Lede en de Striklede gevormd werd. Reeds Beekman heeft geopperd, dat het kromme deel van de Schie niets anders zou kunnen wezen dan de voortzetting van het eveneens kromme, dus natuurlijke watertje dat achtereenvolgens Striclede en Lede heette en welks bovenloop nog in de Strikkade ten westen van Pijnacker en in de Oude Lee (langs het dorp van dien naam en in den Akkersdijkschen polder) terug te vinden is." (B06) ( Gezien de ligging is het echter ook mogelijk dat de Oude Lede aansloot op de Hark bij Ketel die in de Maas uitmonde of de Kene bij Schipluiden die via de Sparte naar de Maas liep. De meest natuurlijke loop is die via de Hark bij Ketel. De schrijver I.H. Gosses is van mening dat dat onmogelijk was omdat de kerk te Schie dan onmogelijk onder Vlaardingen zou kunnen vallen.)

Aantal inwoners Nederland in de 9e eeuw ca. 500.000

1200. Aan het eind van de Schie in de latere polder Schieveen lag een tweede Hof te Schie, waartoe o.a. het ambacht Rodenrijs behoorde. Het ambacht waar graaf Dirk II reeds een hof bezat grensde aan de Schie, Oude Lede, Stricklede en ten oosten aan de landscheiding. Dit hof bestond uit 13 hoeven en 360 ha grond.

"Naar de plaats waar naderhand Rijnland aan Delfland aan Schieland grenst. Daar vinden wij al zeer vroeg een lagen dijk die soms de Land- scheiding, maar meestal de Zijdwinde wordt geheeten. Haar westelijk deel tusschen het Bosch en Zoetermeer heet in stukken van vroeger en later tijd meer bepaaldelijk de Ovenzijdwinde: een naam waarmee zij ook wel in haar geheel wordt aangeduid. Wanneer zij aangelegd mag zijn en op wiens kosten, blijkt niet. In 1324 werden Schieland en Delfland met het onderhoud belast. Dagtekening van voor 1246. De land- scheiding tussen Rijnland en Delfland + Schieland bestond dus al voor 1246

Op 20 maart 1281 kocht heer Diederik van Teilingen de ambachten van Waddingsveen en Polien als leengoed van graaf Floris V en daarnaast: "Haeswaerdwoude, Benthusen, Segwaerde, Soetermere, Willaemsvene (Wilsveen onder Stompwijk) ende dier ander ambochte, die daeran legghen". In 1282 is de landscheiding tussen Schieland en Delfland al aanwezig. Niemand heeft zelfs maar bij benadering een verklaring kunnen vinden voor de aanwezigheid van een dijk van die lengte op die plaats. Met de verklaring dat het zou gaan om een lokaal dijkje nemen wij géén genoegen. Voorlopig nemen wij aan dat de landscheiding ook door de Egmonder monniken en /of Sint-Paulus monniken is aangelegd. Als men nadat de Oude zeedijk in ca. 1150 klaar was gelijk is begonnen met de landscheiding dan is deze voor 1200 wel klaar geweest. Grootste vraag blijft natuurlijk, waarom een landscheiding op die plaats? Wellicht werd de landscheiding daar aangelegd ter bescherming van de grenzen van het tiendgebied van de abdij van Egmond? "Onbekend blijft wanneer de landscheiding zover noordwaarts in de venen is doorgetrokken, dat hij bij de oude driesprong de Brede Akker tussen Berkel en Zegwaard bereikte". 1282 stierf heer Diederik en de leenen vielen aan de grafelijkheid terug. Tedingerbroek (in Delfland) behoorde tot het veengebied dat in 1281 door de graaf aan de heer van Teylingen was verkocht.

In 1323 en 1338 werd de Doenkade of Stugge zijdwinde door de graaf van Holland aan particulieren in leen uitgegeven onder voorwaarde dat het Hoogheemraadschap Delfland deze kade tot zijn waterkering mocht proclameren. Dit is tussen 1338 en 1414 geschied. Het gehele gebied tussen Doenkade en Strickleede, dus Schieveen en een gedeelte van Akkersdijk en de Tempel, kwamen van die tijd af onder het Hoogheemraadschap Delfland, zonder echter de band met Schieland te verliezen; want ook hier bleef het omslagplichtig.

1348 Gereed met graven vaart (later de Rotterdamse Schie) 6 1/2 roeden (24,5 M) breed en 6 km lang en een weg daarlangs. De Delftse Schie of Oude Schie (Delf) werd zo verbonden met de Maas. Deze vaart had verscheidene bochten verkregen omdat men gebruik maakte van reeds bestaande sloten en weteringen.

Grootte der veenambachten in 1420 in morgens: Mattenes: 150-, Ouderschije: 1920-, der Leck: 223-, Boekels dijc: 195-, Scoenreloe: 105-, Coel: 195-, Blomers dijc: 195-, Ruijbroeck: 118-, Scijebroeck: 720-, Berch polre: 210-, Rotterban: 3870-, Cralinghen: 1500-, Copelle: 1110-, Nverkerc: 1050-; Bleijswijck: 2130-, Zeuenhuysen: 3120-, Moerdrecht: 840- en Zegwaart: 430 morgen. (Hoefslagen Schieland)

Grootte der veenambachten in 1514 in morgens: Berkel 1350, Bleiswijk 1050, Hillegersberg 3870, Pijnacker 1700, Ruiven 95+?, Schiebroek 720, Vrijenban 1800, Zegwaard 853 en Zevenhuizen 3120 morgen.

Aantal woningen in 1514: Berkel 111, Bleiswijk 75, Hillegersberg 140, Pijnacker 115, Ruiven 8, Schiebroek 21, Vrijenban 13 en Zegwaard 74.

Ca 1525 woonden er in Dordrecht, Delft en Gouda tussen de 10.000 en 15000 mensen, in Rotterdam en Den Haag tussen de 5.000 en 10.000 mensen en in Schiedam en Gorinchem tussen de 2500 en 5000 mensen. Bron: Handleiding, beoefening lokale en regionale geschiedenis, W. Jappe,

 

 

Abtswoude - Papswoude - Popteswold

 

Abtswoude

Vroegst bekende vermelding Papswoude (Popswoude/Poptestwolde) < 1144. De naam Abtswoude, wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde uit 1214. De naam van de buurtschap is afkomstig van ene Popta, waarschijnlijk een kolonist uit Delft. Hij ontgon een stuk bosrijk en moerassig gebied tussen Delft en Kethel, dat naar hem Popta's Wolde of Popta's Woud werd genoemd. In de loop der eeuwen werd deze naam verbasterd tot Papsouw. In de 19e eeuw dacht men in Delft dat er in Papsouw een klooster had gestaan; op volksetymologische gronden nam men aan, dat Papsouw een verbastering was van Paaps Woud. Men vond het woord Paap (spottende benaming voor een rooms-Katholiek persoon) te volks en zodoende werd de naam van het gehucht 'teruggeëtymologiseerd' tot het sjiekere Abtswoude, waarschijnlijk mede onder invloed van het aangrenzende Abtsrecht.
Papsou = Popteswolde = woud van Popta ) Popta is een Friese mansnaam, waarschijnlijk de ontginner van deze streek in de 11e eeuw). Latere naam Abtswoude.

Vroegst bekende vermelding Akkersdijk (Vrouwenrecht) 1144.
Omstreeks 1140 schonk gravin Petronella aan het door haar gestichte klooster Rijnsburg een aantal hoeven. Dit gebied heette voortaan Vrouwen recht, naar de abdis (vrouwe) van Rijnsburg.

 

 

Bergschenhoek

Wapen Bergschenhoek

 

Bergschenhoek

Bergschenhoek is genoemd naar de hoek in de 'Bergweg' naar Hillegersberg. Vanaf de vijftiende eeuw was het plaatsje onderdeel van de ambachtsheerlijkheid Hillegersberg en Rotteban. Net als de meeste dorpen in de regio werd ook Bergschenhoek omgeven door uitgestrekte veengebieden waar vanaf de middeleeuwen aan turfwinning werd gedaan. Hierdoor ontstonden grote veenwateren, zoals de Butterdorpse en Oosteindse plassen. In de achttiende eeuw werden de meeste wateren weer drooggelegd en omgevormd tot landbouwgrond. In 1978 werd in Bergschenhoek een visfuik opgegraven die stamt uit omstreeks 4300 v.Chr.. Deze vondst toont aan dat er al in de prehistorie mensen naar dit gebied kwamen. Rondtrekkende jagers en vissers hadden hier een klein kamp gemaakt op een drijvend stuk veen. Rond het jaar 1000 maakten de gronden waarop het huidige Bergschenhoek ligt nog altijd deel uit van een soort waddengebied. In vroeger tijden heeft zich hier in de bodem een dikke veenlaag gevormd. Aan het einde van de Middeleeuwen begint de droogmaking. Het veen wordt uitgegraven en verkocht als brandstof. Het dorpscentrum (De Kruin), de Bergweg en de Oosteindseweg liggen nog altijd ongeveer vier meter hoger dan de omgeving. De huidige woonwijken rond het centrum bevinden zich in feite op de bodem van de drooggelegde en uitgegraven plassen. Geschriften uit het einde van de 15e eeuw maken melding van een nederzetting den hoeck of ten Hoeck, nabij den Berch, oftewel Hillegersberg. In 1466 wordt hier de Butterdorpse molen geplaatst. Al snel spreekt men van 'den Bergschen Hoeck'.

1466. Accoord bouw watermolen polder Berg en Broek.
Berch: Item geconsenteert bij vervollich van de meestedeel van de eijgen, gelegen tusschen den hoelsloot, gelegen van den Berch oestwaert tot den hoeck, hemselven te becaen. So sel den Berch wesen huer cade ande noertzijde ende ande Rotte oic een cade te maken. enz. ende dan dair een watermolen in te zetten, enz. ende een hoeltge inde Ommoirder la(a)n. (1469) (OV 1977) [ Is dit de Butterdorpse molen in Bergschenhoek ? ].[Is dit de vroegste vermelding van Bergschenhoek "den hoeck" ?]

Toen het met de veenderij rondom Bergschenhoek na 1730 snel bergafwaarts ging, zochten velen een heenkomen naar Berkel en Pijnakker, ook wel naar Reeuwijk en Sluipwijk en enige andere dorpen in het Utrechtse-Noord- Hollandse, als Mijdrecht, Wilnis en Amstelveen, alwaar voor de veenderij nog mogelijkheden waren.

In 1732 stonden er aan de weg door de veenderijen vanaf de grens van Schiebroek tot in Bergschenhoek, de z.g. Westweg of Laag Rotte, 55 huizen. Van de 34 die het diepste in het veen lagen, staat bijna de helft te boek als oud en vervallen. Ook aan de Achterweg, bij Bergschenhoek, stonden 5 van de 13 huizen direct op wegspoelen en met de overige stond het er rampzalig voor

De Zijde, gaande van den Westweg tot aan de landscheiding van Schieland en Delfland (Roderijskade), was vooral tijdens de winter de gewone rijweg (van Bergschenhoek) over Berkel naar Delft. In het begin van de 18e eeuw geraakte hij in onbruik, gelijk in een memorie aan Rotterdam door den schout Claudius Johannes Steenlack is uiteengezet. Deze weg, welke door zeventien ingespoelde gaten was onderbroken werd in 1752, na gedeeltelijke meting, geschat op een lengte van meer dan 200 roeden. De Zijdeweg moest onder Hillegersbergin de ordinaris verponding, het karregeld, het penninggeld en de binnenlandsche kosten volgens de gaarboeken verongelden voor 450 roeden, had in de extra ordinaris verponding remis en stond in het molengeld niet bekend.

 

Berkel (en Rodenrijs)

Wapen Berkel

Berkel en Rodenrijs

Het jaar 963 wordt aangehouden als het geboortejaar van Berkel en Rodenrijs.

Aan de hand van een geheimschrift van Pieter Luijtensz., eerst klerk en later gemeentesecretaris van Berkel en Rodenrijs (tweede helft 16e en begin 17e eeuw) kon met moeite worden ontcijferd en aan de feiten worden getoetst dat Berkel en Rodenrijs tussen 911 en 991 als zelfstandig ambacht is ontstaan. Overschie, eertijds Ouwerschie en nog vroeger met Oude Scye aangeduid, is de benaming voor wat in de vroegste tijden Rodenrijs moet zijn geweest. "Rodenrijs" was een algemene benaming voor een streek die in cultuur gebracht moest worden. Rodenrijs was een wandelende gemeenschap d.w.z. dat het zich in de loop der eeuwen steeds heeft verplaatst. Er zijn meerdere gebieden geweest met de naam Rodenrijs. In het Zuidelijk gedeelte moest meer rijs of ris uitgeroeid, gerooid worden; vandaar de naam Rodenrijs. In het Noordelijk gedeelte meer berkenhout; vandaar de naam Berkel, mogelijk afkomstig van berkelo, d.i. berkenbos. Rodenrijs = ontwatering, droogmaking, een rode of roede was een stuk veen- en/of bosgrond dat van het opgaand houtgewas was ontdaan, terwijl het werkwoord risen of rijzen nu nog wordt gebruikt in de papierfabrikage voor het procedé om papier te ontvochten, het watervrij maken van papier. Alle woorden en namen met rijs duiden op droogmakingswerkzaamheden o.a. Rijsoord, Rijswijk, Rijsdijk, Rijskade en Rodenrijs. Rode vindt men ook in Bredenrode, Berkenrode, Nijenrode enz. De uitgang lo betekent hoge bosstreek. We vinden die mogelijk in Berkel dat uit Berkelo gevormd kan zijn. De veronderstelling is gewettigd dat Berkel inderdaad hoog gelegen was. (Lo betekent soms ook plas, stilstaand water of moeras). Mij dunkt, dat verspreid hoger gelegen gebieden in de wildernis voorkwamen. Naast de naam van Berkel kan die van Hogeveen (bij Nootdorp) hierop wijzen. Omstreeks 922 verrees de eerste kapel in het Rodenrijse. Behalve de kapel te Overschie heeft Rodenrijs van oudsher nooit een andere kerk bezeten (In het Rodenrijs = in het ontginningsgebied Rodenrijs = in Overschie?).

De verhoging of terp waarop de kerk (in Berkel) staat, moet rond 600 zijn opgeworpen als vluchtgebied voor de toenmalige bewoners in verband met de hoge waterstanden. (lokatie is de plaats waar nu (1998) de N.H.- kerk staat).

De buren van Berkel groeven diep, sommigen één put, anderen twee, omdat "Sij nu eerst (kwamen) tot den besten turff". Dat wijst alles op een vrij hoge ligging van Berkel. (1466). Er waren zelfs venen waar koren op kon groeien, getuige de verklaringen in het in 1466 aangevangen proces over de venen in Berkel. Door het vervenen waren slechts de uitgespaarde ribben nog te gebruiken om gewas op te verbouwen, doch zo smal dat men er de ploeg niet kon wenden, getuige de verklaringen van de buren van Berkel in 1466, het was deze lieden daardoor volstrekt onmogelijk koren te verbouwen. In 1470 verklaarde de abt (van Egmond die de korentienden t.g.v. de vervening aan zijn neus voorbij zag gaan) "dat tot Berckel veel ruggen van landen leggende waren, hoich genoech wesende om coirn te dragen, wairt dat men die ploege dair up weijnden mochte" (wijnde = wenden, keren). De ruggen, de smalle ribben die overbleven na het delven waren te smal om een ploeg op te laten wenden.

In 1470 was het waterbezwaar na het veendelven in Berkel zo "tot sommige steden bij tijden van jaren een halve tonne diep onder water stond". In 1470 betaalde men de 22e turf aan de abdij van Egmond.

1471. Scheiding tussen Berkel en Akkersdijk.

Voor Berkel vinden wij de volgende beschrijving (ca. 1295): "In Berkel vinden wi denn luden horen upganc van den halven diepe uter Leden (Rotte) ten halven vene toe tegens die van Bleiswijjc tote den naeste lande van Voppe Zivaerts hoeve an die Noirtzide ende voirt van Voppe Zivaerts hoeve vinden wij't den grave, al dat dairbuten is, geboent ende ongeboent, tote
der stede daer Rutkenvene angaet."

Rond 1296 werd Zwemcoep (Zwemkoop onder Berkel) voor het eerst genoemd.
"Voirt van der wildernisse van acht hoeve tote Wike (Wijk is een water bij Bleiswijk) vinden wi den Grave tiende en de ambacht" enz. "De achthoeve" vormde een gebied of een deel daarvan "van Zwemencoep", een kleine nederzetting onder Berkel."

Het ambacht Berkel was nog geen scherp afgescheiden geheel in 1266. In het noorden hielden de bouw- en weilanden op in moer, dat nog tot geen administratief district behoorde. De wildernis kreeg hier de overhand en liep voort, tot waar een aanzetsel van het ambacht Zoetermeer, Zegwaard met Rutkenvene (Roggeveen), van de overzijde in het land opstrekte.

In 1266 wordt Roggeveen voor het eerst genoemd en wel in een acte die betrekking heeft op Berkel. Deze acte vermeld, dat de bouw- en weilanden van Berkel aan de noordzijde eindigen bij een moerasige wildernis, die zich uitstrekt tot aan het ambacht Zegwaart met Rutkenvene. In Roggeveen zit de naam Rutger, vermoedelijk de stichter of de leider van de eerste
kolonisten.



Uitspraak, scheiding tussen polderverband Berkel en Akkersdijk in 1471. Vermoedelijk hing deze uitspraak samen met een geschil tussen de buren van Berkel en de abt van Egmond, die op grond van het hem toekomende tiendrecht aanvankelijk elke 10e turf opeiste, in 1470 elke 22e turf en op 2-12-1471 elke 24e turf, mits de buren van Berkel de molens aan de Schie zouden verplaatsen, opdat het land waarvan de abt het tiendrecht bezat beter bekaad en bemalen zou zijn. Aangezien Berkel nu niet meer kon afwateren via de Lede mocht Berkel een molensloot maken vanuit de meren naar de molens. Waren er in 1471 slechts 2 molens, voor 1490 waren het er vier. De derde gebouwd kort na 1471.

Uitgifte van een stuk wildernis met tot doel dit tot ontwikkeling te brengen; "Zwemencoep" = Swemcoop ca. 1250. Dr. J.F. Niermeyer schrijft in zijn boek: Delft en Delfland en hun oorsprong en vroegste geschiedenis van 1944 op blz. 58 over "Arnouts Svemen brigghe" en "De naar een zekeren Arnout Svemen genoemde brug" en "d.i. Arnout, zoon van Sveme. Sveme of Zweme is een mansnaam, die nog voortleeft in den plaatsnaam Zwemkoop (onder Berkel)".

1712 Uitgifte van de kaart van Delfland. Enkele opmerkelijke namen op deze kaart: Roomse Heul, Rietsloot, Kors Watering, Vogelkooy Laen, Buer Pat, Groote- en Kleine Negenhovense Tient, het Lége Zaet, De Schuddebaker (Schuddebocer), De Schrok, Draey, 't Spytje Bakhuys, Het Bosch en de Slimme Camp. Allemaal namen behorende tot het gebied van Berkel en Rodenrijs. De Munnicke Kade loopt in de buurt van het in Pijnacker gelegen Munnicken Huys, wellicht is naam daaraan ontleend.

 

Bleiswijk

Wapen Bleiswijk

Bleiswijk

Met veel gronds kunnen wy vaststellen dat het (Bleiswijk) zelfs reeds voor of in den jaare 1100 bekend was, daar omtrent dien tyd het slot Craanenburg gebouwd is; doch hier van nader - wy blyven intusschen van den waaren ouderdom in het onzekere, even als van den naam des geenes die men voor stichter, (zo de Heerlykheid kan gezegd worden een stichter gehad te hebben,) zoude kunnen houden.

6-09-1242. Willem II bepaalt dat wie van Willem Scope en Gijsbrecht Bokel land ter ontginning koopt tussen Rotte en Wilenesbrunne zal zijn vrijgesteld van dijklasten.

1242. Graaf Willem II verklaart dat het land in Bleiswijk dat heer Willem Scope van hem en van heer Gijsbrecht Bukel heeft gekocht, is vrijgesteld van dijklasten. enz. "tusschen Rotte ende Wilnesbrunne" (Wilnesbrunne is Zevenhuizen of een gedeelte van Zevenhuizen, het land ligt dus in Bleiswijk)
De eerste vermelding van het kerspel Bleiswijk vinden we in het bekende tiendenregister van 1275-1280. Lang kon de parochie toen bezwaarlijk hebben bestaan. Immers kort voor 1242 werd deze veenstraak door den graaf van Holland ter ontginning uitgegeven aan Gijsbrecht Bokel, een edelman, waarschijnlijk residerende op het slot Burgerstein bij Rotterdam. Deze verkocht reeds in 1242 den grond maar bleef ambachtsheer en tiendbezitter. De kerkstichting valt uiteraard na 1242 maar voor 1276: dan betaald de parochie tienden t.b.v. het Heilige Land.

1242. Het is nog steeds een vraag, waar Wilenesbrunne moet worden gezocht mogelijk is "Wilders kade" een verbastering van Wilenes.

Onder Bleiswijk stond in vroeger tijden aan de westzijde der Oude Lede het riddermatig huis "Kranenburg", dat in 1106 gesticht was door Alewijn, burggraaf of tweeden kastelein van Leiden. Het slot Kranenburg dat als een der oudste riddermatige huizen van den omtrek aan het geslacht Wassenaar verviel, waarvan een tak de naam Kranenburg aannam. (Slot
Kranenburg bevond zich volgens het 13e eeuwse kaartje van Beekman ca. 1 km ten oosten van het noordelijkste punt van de latere Noordpolder Berkel) in Bleiswijk nabij het op de Rotte aansluitende watertje Leede.)

Byzonderheden. Hier onder zouden wy, mogelyk kunnen betrekken, de plaats alwaar het aloude slot Craanenburg, reeds meermaale genoemd, gestaan heeft; hetzelve werd gesticht door zekere Alewyn, tweede Castelein van Leiden, in den jaare 1106, wiens afstammelingen het veele jaaren hebben bezeten, met 200 morgen lands, daar om- en aan gelegen, en uit welk ge-
slacht het is overgegaan, aan dat van Wassenaar, waarvan Bartholomeus van Wassenaar getrouwd was, met ... van Bleiwsyk, van welke afstammelingen een tak den naam Cranenburg heeft aangenomen; dan, dit slot heeft waarschynelyk ten tyde van de Hoeksche en Kabeljauwsche verdeeldheden, den storm der verwoestingen moeten ondergaan, en door de verveeningen zyn
daarvan geene de minste overblyfsels meer te vinden, zo dat wy deezen aangaande onze leezers niet verder kunnen heenwyzen, dan gelyk gezegd is, slechts in aandenken te beschouwen, de plaats alwaar hetzelve gestaan heeft.

Cranenburg blijkt (dus?) een voormalig adelijk Huis te Bleiswijk te zijn geweest dat waarschijnlijk in de Hoekse en Kabeljouwse twisten is verwoest. In 1106 was dit slot van Bartholomeus van Wassenaar, die het hoofd van een nieuw geslacht werd en de naam van dit adelijk Huis heeft aangenomen. Bij gebrek aan mans oir kwam het later door huwlijk van Elisabeth van Cranenburg Engelsdochter met Adriaen van der Houve in het bezit van dit huis Van der Houve, waarin het niet lang bleef, aangezien hun dochter Margaretha het door haar huwlijk met Huybert van der Meer Pieterszoon weer in diens geslacht bracht. Deze Huybert van der Meer werd in 1512 op de rijksdag te Keulen door Keizer Maximiliaan van Oostenrijk verheven tot edelman van het Heilige Roomse Rijk. Hij overleed in 1514 te Eijk-en-Duinen bij Den Haag. Dit geslacht werd ook wel genoemd Van der Meer van Cranenburg en was ook in Leiden woonachtig.

Het dorp moet al omstreeks 1100 hebben bestaan. Van 1582 tot 1798 was Bleiswijk eigendom van de stad Rotterdam, dat in het eerstgenoemde jaar de 'heerlijke rechten' kocht. In de achttiende eeuw was turfsteken de voornaamste bron van inkomsten voor de inwoners van Bleiswijk, dat aanvankelijk omringd was door uitgestrekte moerassen. Die ontvening werd zo intensief uitgevoerd dat halverwege de achttiende eeuw weinig meer van de polders was overgebleven dan een grote veenplas.

De hervormde kerk van Bleiswijk dateert uit de zestiende eeuw. De kerk is een aantal keren grondig gerestaureerd; de laatste keer tussen 1971 en 1974. Het interieur is nu weer vrijwel gelijk aan dat uit de zeventiende eeuw. Op 11 februari 1489 werd het dorp Bleiswijk bezet met zeven vendels voetknechten en zes vendels ruiterij: "gewoon wat rou te leven". E.e.a. gebeurde tijdens de Hoeksche en Kabeljouwse twisten.

Dat zy (Bleiswijk), met andere omliggende dorpen, in den beginne van 1589 door Jonker Frans van Brederode, als het hoofd der Hoekschen werd gesteld op brandschatting, waarop den 11 February eerstvolgende, het Ambacht belegen werd met 7 vaandels voetknechten, en 6 standaarts ruitery, onder beleid van den Stadhouder van Holland, Jan van Egmond, zynde het hoofd der Kabeljaauwsche party, zo dat daaruit genoegzaam blykt, dat Bleiswyk het lot der tweedragt meer dan te veel heeft ondervonden.

 

 

Delfshaven

Wapen Delfshaven

Delfshaven

Delfshaven ontstond in 1389, toen de Delfshavense Schie werd gegraven om de stad Delft een verbinding met de Maas te geven. Hertog Aelbrecht van Beieren, graaf van Holland en Zeeland, gaf Delft toestemming om een eigen scheepvaartverbinding te maken. De stad had in die tijd twee belangrijke industrieën: bierbrouwerijen en de lakennijverheid. Deze twee bedrijfstakken brachten belangrijke exportproducten voort. Delft kon weliswaar gebruik maken van de Rotterdamse sluis, maar daarvoor moest tol worden betaald. Bovendien had Rotterdam zelf brouwerijen en lakennijverheid. Genoeg redenen voor Delft om een eigen verbinding met de Nieuwe Maas te graven om de concurrerende stad Rotterdam een stap voor te blijven. Voortaan konden de schepen vanuit Delft via de Delftse en Delfshavense Schie de Nieuwe Maas bereiken. Rondom deze sluis ontstond het havenstadje Delfshaven. Dit stadje was niet zelfstandig, maar had de status van een 'kolonie van Delft'.

kolkraad

De eerste huizen werden gebouwd langs de Kolk (nu Aelbrechtskolk) en de Haven (nu Voorhaven). Het ging goed met het stadje en in 1451 werd een tweede haven gegraven. In het begin van de zestiende eeuw telde Delfshaven zo'n 117 huizen en vierhonderd inwoners. Aan de groei van Delfshaven kwam een einde toen de Hoeken tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten enorme verwoestingen aanrichtten.

Niet alleen oorlogsgeweld teisterde Delfshaven, ook de angst van de stad Delft dat Delfshaven de moederstad zou overvleugelen, belemmerde een snelle ontwikkeling. Delft nam een groot aantal beperkende maatregelen. De enige bedrijfstak in Delfshaven die tot bloei kon komen was de haringvisserij. In 1638 kreeg de Delfshavense haringvisserij echter een grote klap te verwerken. Na een uit de hand gelopen godsdiensttwist vertrokken tien bezitters van haringbuizen met een veertigtal schepen naar Rotterdam. Delfshaven verloor hierdoor bijna de helft van zijn haringbuizen. Geschrokken door deze massale verhuizing naar de concurrerende stad Rotterdam, veranderde Delft zijn houding. De beperkingen uit 1536 werden opgeheven. Zo kwamen er zoutketen, kuiperijen, scheepswerven en taanderijen (taan werd gebruikt om touw, zeilen, en netten tegen rotting te beschermen). De VOC breidde het aantal loodsen en werven sterk uit.

Aan het einde van de zeventiende eeuw begon de opkomst van de brandewijnindustrie. Een groot deel van de Hollandse jenever en brandewijn werd in de achttiende eeuw in Rotterdam, Schiedam en Delfshaven gestookt. Door deze nieuwe bron van bestaan verrezen aan de randen van Delfshaven windmolens voor het malen van mout (gekiemde graankorrels). In de branderijen stookte men hieruit moutwijn en distilleerde men het vocht, na toevoeging van speciale kruiden, tot jenever.

 

Delft

Delft

Delft

Vroegst bekende vermelding Pijnacker en Delft 1063/1064

De Gantel die het water uit Delft afvoerde was lang en dreigde dicht te slibben. Dit probleem werd rond 1100 opgelost De Schie ter hoogte van Ruiven heette oudtijds niet Schie maar Delf. De stad Delft, oudtijds Delf ontleent haar naam aan het water waar zij aan ligt. Een Delf is een door mensenhanden gegraven vaart. (In Zeeland komt dit woord nog voor in den vorm van Dulve, d.i. sloot). In 1157 blijkt de Delf al gegraven te zijn en had er zich daar ook een nederzetting gevormd. In een register van 1105-1120 wordt de Delf echter ook al genoemddoor het graven van de Delf. Ter hoogte van de Kandelaar sloot de Delf aan op de veenstromen Leede en Schie. De Swet van Manthete scheidt het tiendgebied van Delft (Hof van Delft) van dat van Schieland; (de grens loopt) naar de Lede (Oude Lede), van de Lede naar de Striclede en van de Striclede naar het einde (het onbegaanbare veen)". De toevoegingen () stammen uit de dertiende eeuw. Bron: Gravenregister van 1125. Een Zwet is een grensscheiding gewoonlijk gevormd door een sloot, deze Zwet is/was niet de "Berkelse" Zwet.

1389 Delfhavense Schie (4 km) gegraven. Van de Oude Schie (Delf) naar de Maas. Tegelijk met het graven van de Delfhavense Schie, in het laatst van de veertiende eeuw is het gedeelte Delft-Overschie verbreed en uitgediept.

Het gebied rond Delft werd al lang voor de christelijke jaartelling bewoond door vissers, jagers en boeren. Het gebied bestond grotendeels uit drassige moerassen en alleen de hoger gelegen delen, zoals de duinen of zelf gemaakte terpen waren geschikt voor bewoning. In de Romeinse tijd en de vroege Middeleeuwen waren er nederzettingen in de omgeving, zoals blijkt uit opgravingen in Naaldwijk, Wateringen en Voorburg. Pas in de 11e eeuw begon het gebied zich te ontwikkelen en werd het een welvarend landbouw- en veeteeltgebied. Aanvankelijk nog op kleine schaal omdat het laag gelegen land regelmatig werd overspoeld door de zee. In de 12e eeuw waren er drie enorme overstromingen die leidde tot beschermende maatregelen. Zo werd halverwege de 13e eeuw de Maasdijk gebouwd, waarna de landbouw activiteiten in het gebied konden toenemen. Hierdoor groeiden de kleine nederzettingen Delft, Vlaardingen en Schiedam uit tot welvarende handelssteden.
De naam Delft is ontleend aan de eerste vaart, de Delf, die waarschijnlijk rond 1100 werd gegraven. Deze vaart heet nu Oude Delft en stroomt nog steeds door de stad, evenwijdig aan de spoorlijn. Rond 1200 werd de plaats Delf voor het eerst genoemd als woongemeenschap op de plaats van de huidige Oude Kerk. Halverwege de 13e eeuw verleende de graaf van Holland, Willem II, Delft stadsrechten, waarmee het een belangrijke positie kreeg in de Staten van Holland. In dezelfde periode werd begonnen met de bouw van de Oude Kerk, die oorspronkelijk Bartholomeuskerk heette. In de 14e eeuw werd de Delfshavense Schie gegraven waardoor Delft een verbinding met de Maas kreeg en daardoor een eigen zeehaven. Rond de haven aan de oever van de Maas ontstond de nederzetting Delfshaven. Deze ligt zo'n eind bij Delft vandaan dat het tegenwoordig een Rotterdamse wijk is. Destijds was de aanleg van Delfshaven een flinke uitbreiding van de aan- en afvoermogelijkheden waardoor Delft verder kon uitgroeien tot handelscentrum. Belangrijke producten waren boter, textiel, tapijt en Delfts bier. Als gevolg van de groei van de stad onstond er behoefte aan een tweede kerk en men begon de bouw van de Nieuwe Kerk. Behalve met groei en welvaart kreeg de stad ook te maken met een paar ingrijpende rampen. Zo brandde in de 16e eeuw, toen huizen nog gebouwd werden met hout, een derde van de stad af.

In de 16e eeuw sloot Delft zich aan bij opstand van de Hollandse steden tegen de Spaanse overheersers. Prins Willem van Oranje nam zijn intrek in het Prinsenhof, toen nog een klooster, om van hieruit het verzet te leidden. De onafhankelijkheidstrijd zou tachtig jaar duren, maar Willem kon het niet na vertellen. In 1584 werd hij thuis vermoord in opdracht van de Koning van Spanje. Willem van Oranje werd begraven in de Nieuwe Kerk, een traditie die nog steeds wordt gevolgd door het koninklijk huis. In de 17de eeuw brak in de Hollandse steden de Gouden Eeuw aan, een relatief vredige periode waarin de handel tot grote bloei kwam. Zo ook in Delft, een van de zes vestigingen van de Verenigde Oost-Indische compagnie (VOC), later gevolgd door de West-Indische Compagnie. Door de VOC werden luxe handelswaren als thee, specerijen, porselein en zijde uit Azie aangevoerd. In deze tijd ontstond er een product dat Delft wereldberoemd zou maken: het op Spaans aardewerk en Chinees porcelein geinspireerde Delfts Blauw. Er ontstonden tientallen aardewerkfabriekjes op plekken waar eerder bierbrouwerijen waren gevestigd. In de paar overgebleven fabrieken wordt Delfts Blauw nog steeds met de hand gemaakt.
Halverwege de 17e eeuw werd Delft nogmaals getroffen door een grote ramp. Een enorme ontploffing van het toenmalige Kruithuis, een opslagplaats van buskruit, maakte veel slachtoffers en verwoeste een groot deel van de stad. Dankzij de toenemende welvaart kon Delft de schade herstellen. Inmiddels was het gebruikelijk om in steen, in plaats van met hout, te bouwen, waardoor de meeste historische gebouwen uit deze tijd dateren. Het nieuwe Kruithuis is een heel eind uit de stad langs de Schie gebouwd en bestaat nog steeds. In deze rijke periode bloeiden ook de kunsten en wetenschappen op. De Delftse schilders Johannes Vermeer, Jan Steen en Pieter de Hoogh werden wereldberoemd. Hugo de Groot werd een internationaal bekende rechtsgeleerde en Antonie van Leeuwenhoek verbeterde de primitieve microcoop zodanig dat de wetenschap er ook echt iets door kon zien.
Rond 1800, ten tijde van de Franse bezetting, zette een periode van economische neergang in. De textielnijverheid verdween en de Oost- en West-Indische Compagnieen werden opgeheven waardoor de handelsfunctie van Delft sterk verminderde. Bovendien werd Rotterdam steeds belangrijker als havenstad. Een andere activiteit werd nu belangrijk voor Delft: de wetenschap. Halverwege de 19e eeuw richtte koning Willem II de "Koninklijke Academie ter opleiding van burgerlijke ingenieurs" op die later uit zou groeien tot de Technische Universiteit en die tegenwoordig een complete stadswijk beslaat.

 

Hodenpijl

Hodenpijl

Hodenpijl

 

De oudste vermelding van een woning op deze plaats dateert uit 1561, namelijk in het register van de Tiende Penning van Hodenpijl, een onroerend goed belasting. Claes Ariaenz., bijgenaamd ‘de vader’, pachtte hier toen 23 morgen en 3 hond land (zo’n 20 ha), waaronder 6½ morgen akkerland, met ‘huys, barch ende geboemten’. Het land strekte zich uit van de Tanthofkade tot de Gaag. Er waren drie eigenaren van dit bezit, namelijk de erfgenamen van Ariaen Vrancken, Mr. Arent Sasbout en Anna Joosten (Sasbout). Het geslacht Sasbout bekleedde in Delft in de zestiende eeuw belangrijke bestuursfuncties, waaronder het burgemeesterschap. In 1634 kocht Mr. Maerten Paets, echtgenoot van Sophia van Wouw, dit bezit. Hij deed dit samen met zijn schoonmoeder Machtelt van Leijningen, weduwe van Hillebrandt Jacobsz. van Wouw. De verkopers waren Cornelis Claesz. van Overgaeu en Willem Rochusz.

Maerten Paets was advocaat van het Hof van Holland en woonde in Den Haag. Hij kwam uit een belangrijk Leids regentengeslacht. Zijn schoonvader Hillebrandt Jacobsz. van Wouw stamde uit het rijke Haagse geslacht Van Wouw. Diens vader Jacob Cornelisz. van Wouw was enige tijd burgemeester van de stad. 

Joan van Beest heeft op verzoek van de kopers in 1634 een kaart gemaakt met het land en de bebouwing van Hodenpijl in de Kerkpolder. In totaal heeft hij 23 morgen en 84 roeden land opgemeten. Hieronder bevinden zich een partij houtland tussen het erf en de Gaag, een strook rietland langs de Gaag en drie kavels akkerland, zo’n 4½ morgen groot. Het akkerland lag op de kleibaan ten oosten en zuidoosten van de boerderij. Deze hooggelegen strook grond is nog altijd in het landschap herkenbaar. Het erf zelf was ruim een halve morgen groot. Er stonden veel bomen enEr waren in 1634 twee eigenaren. Mogelijk betreffen het twee boerderijen en twee bijgebouwen. Het is onbekend hoe de verkopers Cornelis van Overgaeu en Willem Rochusz. aan de grond en deze panden zijn gekomen. De kopers wilden (naast geldbelegging) zelf gebruik gaan maken van deze woonplaats. De ligging van het buiten aan het water en nabij een rijweg, niet ver van Den Haag, was aantrekkelijk. Niet geheel onbelangrijk was, dat de naam Hodenpijl naar een adellijke familie verwees. Het geslacht Hodenpijl heeft in de Late Middeleeuwen een kasteel gehad op enkele honderden meters afstand van de buitenplaats. er waren vier gebouwen en twee hooibergen, die gegroepeerd lijken te zijn rond een plein. Een hek aan de zuidkant gaf toegang tot het erf. De uitstraling van de bebouwing is royaler dan die van het gemiddelde boerenerf in die tijd. Gewoonlijk wordt er een boerenwoning afgebeeld met een of meer hooibergen en een bijgebouw. Hier is sprake van tenminste vier gebouwen.

Van Sophia van Wouw zijn enkele huurcontracten bekend met haar pachters op de boerderij Hodenpijl. Uit het contract van 5 februari 1678 blijkt dat Jacob Abrahamsz. Luchtigheijt het volgende van haar pachtte: ‘seeckere wooninge, huysinge, stallinge, schuyr ende bergen met twee ende dertich mergens soo wey- als hoylandt’. Het bezit was dus met bijna negen morgen gegroeid. Twee morgen land mocht hij in mindering brengen, omdat ze door de verpachter gebruikt werden. Het betreft onder meer de tuin, de boomgaard en de singels. Voor elke morgen moest Jacob Abrahamsz. Luchtigheijt jaarlijks 23 gulden betalen. Bovendien moest hij elk jaar drie kinnetjes boter (1 kinnetje is ca. 40 kg) in Den Haag afleveren, de helft in mei, de andere helft in de herfst. Uit de overeenkomst blijkt dat er naast de bouwmanswoning een buitenplaats op het erf stond. De pachter moest het erf en de laan altijd schoonhouden. Gedurende de maanden mei, juni, juli en augustus dienden het erf en het plein voor het huis afgesloten te worden. Er mocht geen vee rondlopen en het vuilnis moest verwijderd zijn. In die periode kon de familie Van Wouw met gasten uit de stad op het buiten vertoeven. Jacob Abrahamsz. Luchtigheijt trouwde op 30 mei 1677 met Martge Walingsdr. Groenheijde. Zij was een zus van Trijntge Walingsdr, de moeder van de dichter Hubert Korneliszoon Poot. Jacob ondertekende het huurcontract overigens met een merk, omdat hij niet kon schrijven. Zijn vader Abraham Gerritsz. Luchtigheijt en zijn zwager Bastiaen Walingsz. Groenheijde stonden borg voor hem. Zij tekenden wel met hun naam.

Ook het geslacht Van der Sman heeft binding (gehad) met Hodenpijl. In 1707 verwerft Claes Ariens stukken grond in leen tegen overdracht van grond in Schieveen. Een en ander in een transactie met Justus Hoogenhouck, oud burgemeester van Leiden.

Zie: Repertorium op de lenen Hodenpijl.

 

Leidschendam

Wapen Leidschendam

Leidschendam

Het huidige Leidschendam ontstond in 1938 uit samenvoeging van Stompwijk en Veur. De benaming Leidschendam was al eeuwenlang in zwang. Daarmee werd de bebouwing rondom de Sluis in de Vliet bedoeld, vooral in de 18e en 19e eeuw talloze malen op kopergravures en litho's afgebeeld.

De noordzijde van de 'Leidschen Dam' werd Veur genoemd en was reeds voor het begin van onze jaartelling bewoond zoals opgravingen hebben aangetoond. De benaming Veur - als Fore - vinden we voor het eerst in een goederenlijst van de Utrechtse Sint Maartenskerk die de bezitsverhoudingen van kort voor 900 weerspiegelt. De benaming Fore zou verwijzen naar het bestaan van bossen. Tot in de middeleeuwen was er bebossing in deze streek, getuige de aard van het landgoed Schakenbosch.

In 47 na Chr. liet de Romeinse veldheer Corbulo een gracht graven. Een klein stuk van die vaart, de Fossa Corbulonis, is gereconstrueerd in de wijk de Rietvink. Deze vaart maakte deel uit van een waterweg die later de Vliet genoemd werd en al sedert de middeleeuwen een belangrijke verbinding voor vervoer van personen en goederen in Holland geworden was. In de nabije omgeving van de huidige sluis lag van oudsher een dam 'Hoven Zijdwinde' genaamd, waaromheen allerlei bedrijvigheid ontstond: molens, herbergen, werkplaatsen en opslagplaatsen van handelswaar.

Op de plaats van De Zwaan, vroeger een herberg, stond nog in 1594 een korenmolen. Aan de andere kant van de Vliet werden houtzaagmolens opgericht, De Salamander in 1643 en De Hoop in 1739. De Salamander werd enige jaren geleden in volle glorie hersteld.

In de zeventiende en achttiende eeuw vestigden veel aanzienlijke families met functies in de bestuursorganen van Holland en de Republiek der Verenigde Nederlanden zich in Veur en omstreken en stichtten daarvoor fraaie buitenverblijven. De laatste resten bos maakten plaats voor siertuinen en tuinderijen waarin ook bij wijze van experiment allerlei nieuwe gewassen gekweekt werden. Agrarische ontwikkelingen hadden al voor 1800 geleid tot het ontstaan van de huidige marktgerichte tuinderij.

In 1646 werd Veur, los van Voorschoten, een afzonderlijke heerlijkheid. Met de Bataafse omwenteling werd ook Veur van 1795 tot 1811 een bestuurlijk zelfstandige eenheid: de Municipaliteit Veur.

Aan de overkant van de Vliet, de zuidzijde, ontstonden Wilsveen en Stompwijk als nederzettingen. Dat gebeurde kort na 1200 bij de ontginning op initiatief van de Hollandse graven van de uitgestrekte moerassen. In Wilsveen was het aantal inwoners al spoedig groot genoeg voor een eigen kerkje, een aan Maria gewijde kapel.

Vanaf begin 17e eeuw kerkten hier hervormden. Ook konden kinderen naar school, hier en in de Meer. In 1610 kwam het overheidsgezag in Stompwijk in handen van het stadsbestuur van Leiden.
De veenderij, het slagturven genoemd, had in de eeuwen vóór 1800 het landschap omgevormd in een plassengebied. Maar liefst twintig molens waren omstreeks 1800 noodzakelijk voor de waterhuishouding in Stompwijk en Wilsveen. Veel turfwerkers trokken weg toen de veenderij over haar hoogtepunt heen was. In 1820 werd de intussen bouwvallige kerk afgebroken. Alleen de begraafplaats belichaamt nog de herinnering aan het oude Wilsveen.
Voor Stompwijk was de negentiende eeuw een fase van groei. In 1807 telde Stompwijk zo'n 700 inwoners van wie de meesten katholiek waren en geregeld de kerk bezochten. Die kerk was in 1754 gebouwd als opvolger van een schuurkerk. Kort na 1870 werd de neogotische Laurentiuskerk gebouwd, voorzien van een pastorie en in 1906 een nonnenklooster van waaruit het onderwijs voor de meisjes verzorgd werd.

In twee van de herbergen aan de Dam, 't Eiland aan de Veurse zijde en De Zwaan voor Stompwijk, hielden de besturen en rechtscolleges van beide dorpen zitting. De twee dorpen werden in 1811 samengevoegd onder de benaming Leidschendam, een bestuurshervorming die al weer in 1817 werd teruggedraaid. Daarna hadden Stompwijk en Veur tot aan hun opheffing in 1938 een bijzondere band: samen één burgemeester en één gemeentesecretaris.


 

Moerkapelle

Wapen Moerkapelle

Moerkapelle

Moerkapelle is een wegdorp in de polder De Wilde Venen, drooggemaakt tussen 1648 en 1655, het dorp is vermoedelijk direkt na de droogmaking gesticht.

In het noordelijke deel van het ambacht Zevenhuizen bevonden zich de Wilde Veenen. Deze werden in de veertiende eeuw van de rest van het ambacht (dorp) losgemaakt en verpacht. Rond 1400 was hier voor het eerst sprake van bewoning. De plaats werd vernoemd naar de aanwezige kapel. Een definitieve splitsing tussen Zevenhuizen en Moerkapelle kwam er in 1645, toen jonkheer Warnaert van der Wel de Wilde Veenen kocht van de heren van Zevenhuizen. Hij legde de veengronden hier zo voortvarend droog, dat al in 1655 de ‘Honderdmorgenpolder’ voltooid was. De hierdoor ontstane landbouwgrond bracht Moerkapelle de benodigde welvaart: in 1667 werd de oude kapel vervangen door een kerk. De naam Moerkapelle is ontstaan door de aanwezigheid van een kerkje of kapel aan het moeras. Het ontstaan van het dorp is verbonden met de geschiedenis van de polder De Wildeveenen. (Ook bekend als "de 100 morgen"). Door de droogmaking van deze polder in de 17e eeuw ontstond er bedrijvigheid (landbouw) en vestigden de mensen zich in Moerkapelle. Maar al voor de droogmaking medio 17e eeuw was er al bewoning. Het gehucht 'Op Moer' is ontstaan omstreeks 1400. Omstreeks 1560 was er al een vermelding van een kapel op gewijde grond. De kapel heeft na de voltooiing van de dorpskerk in 1667 nog dienst gedaan als school en als boerderij. Ze heeft vermoedelijk gestaan op de hoek van de Dorpsstraat en de Moerdijkstraat en brandde in 1905 geheel af.

 

Nootdorp

Wapen Nootdorp

 

Kaart Nootdorp

 

De eerste keer dat we een vermelding vinden van Nootdorp is in 1281, wanneer men spreekt over de Noitdorper wech (=veilige weg, tussen het afgegraven veenland). Vermoedelijk is die Nootdorperweg dezelfde als de huidige Veenweg. In het veenrijke gebied, werd aan weerszijden van de Noitdorper wech turf gestoken, die vooral bestemd was voor Die Hage, maar ook voor Delft en de abdij van Loosduinen. In 1303 wordt de eerste priester aangesteld voor de bewoners aan de Noitdorper wech, die dan korter wordt aangeduid als Noetdorp. Het kerkdorp bestond bestuurlijk geruime tijd uit de twee heerlijkheden: Nieuwveen en Hogeveen, namen die we veel tegenkomen in de stukken waar familieleden Van der Sman stukken of stukjes grond bezaten. Pas in 1724 is er sprake van de heerlijkheid Nootdorp, die toen uit "'s graven boezem werd onttrokken". De heerlijkheid Nootdorp bestond toen naast die van Hogeveen en Nieuwveen. Kerkelijk vormden zij gedrieën wel één parochie. (De Graaf van) Den Haag was vanaf het begin ook heer van Nieuwveen. De meeste turf was bestemd voor de bewoners van Het Binnenhof. Tot ver in de 18de eeuw is Nootdorp een boerendorp gebleven. Halverwege de 18de eeuw had het zo'n 300 inwoners. Honderd jaar later was dat aantal verdubbeld. Het bevolkingsregister van 1870 telt 707 inwoners, waarvan 350 mannen en 357 vrouwen. Wat godsdienst betreft zijn er 373 katholieken en evenveel protestanten, waaronder 331 Nederlands Hervormden.

 

 

Overschie

Overschie

 

Overschie

Overschie werd gesticht in het jaar 929 en heeft zich ontwikkeld vanuit een tolpassageplaats aan de Schie in de Middeleeuwen. Ter bescherming van het kwetsbare, ongerepte gebied moesten schepen tol betalen voordat zij hun tocht over water naar Rotterdam, Schiedam of Delft konden voortzetten.
Tot 1941 was Overschie een zelfstandige gemeente. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het gebied ondergebracht bij de gemeente Rotterdam. Tussen december 1947 en december 1981 was de zogenaamde ‘wijkraad’ van Overschie in het oude Raedthuys gevestigd. Overschie werd in 1982 een Rotterdamse deelgemeente.

Het dorp bestond eerder onder de naam Kapel-aan-de- Schie en werd later Ouderschie en ook wel Oud-Schiedam genoemd. De oude kerk van Overschie werd door de Hoekschen in 1489 afgebrand.

In oorkonde no. 225 staat Overschie op de kerkenlijst van 1063.

 

Vroegst bekende vermelding van Overschie (Schie) en Hillegerberg (Bergan) 900. Van de gebieden van Schie uit, waar de ontginning reeds in de eerste helft van de 10e eeuw was tot stand gekomen.
In 990 lag Overschie (Schie) aan het uiteinde van de Schie, op de plaats waar de Schie de Maas bereikte. Overschie lag toen nog aan zee. (Met zee zal hier wel de Merwede, later Maas bedoeld zijn.)

In de eerste helft van de 10e eeuw begon vanuit Schie de ontginning van het woeste veen langs De Leede en de Stricleede. Van de gebieden van Schie uit, waar de ontginning reeds in de eerste helft van de 10e eeuw was tot stand gekomen, werd de cultivering geleidelijk voortgezet door inpoldering van het veengebied, hetwelk zijn natuurlijke grens vond aan de Lede (Oude Lede) en de Stricklede.

Overschie is een wegdorp, in de 10e eeuw ontstaan aan de buitenzijde van een bocht in de Schie. Zie ook bij het jaar 900. (Schie - Ouwerschie - Overschie - Oude Scye - Scye).

DE ONTGINNING VAN DE PAROCHIE SCHIE.
De middeleeuwse openlegging door ontginning van het veengebied, waarin ook de parochie Scie ligt, vangt waarschijnlijk aan in het laatste kwart van de tiende eeuw met als oudste centrum Vlaardingen. Reeds in het begin van de achtste eeuw schenkt een zekere Heribald aan Willebrord een kerk met de tiendrechten in dit gebied, maar na stijging van de zeespiegel in
de negende eeuw is door wateroverlast het land zover ontvolkt, dat pas in 985 het als keizerlijk domein opnieuw wordt uitgegeven aan de graven van het latere Hollandse huis en omstreeks 1040 zijn in het achterland van Vlaardingen twee kleine bevolkingskernen ontstaan met elk een kapel, resorterende onder de kerk van Vlaardingen, n.l. Hargan, nu Kethel, aan de
bovenloop van een ten dele verland riviertje de Harg, en Skie op de zware kleirug, afgezet door een grote, eveneens ten dele verlande kreek, de Schie. Deze kleirug loopt vanaf het dorp Overschie langs de Rotterdamse Rijweg en de oude Kleiweg, waar hij het karakter van rug verliest, maar het laatste restje van de bovenloop van de kreek is zelfs nu nog tendele
aanwezig als een watertje, dat de grens vormt tussen de voormalige gemeenten Schiebroek en Hillegersberg en in de middeleeuwen tussen de parochies Schie en Rotte. De ontginningen gaan aan weerskanten uit vanaf de kleirug en staan ten naaste bij met hun percelen loodrecht op zijn slingerend beloop. Deze percelen zijn niet diep, 500 tot hoogstens 700 meter en soms nog minder. Gaan wij deze na van west naar oost: In de Galchhoeck ligt het westelijk deel in oost-west gerichte kavels, in het oostelijk deel zijn deze noord-zuid gericht. De boerderijen en de kerk liggen allen op de oeverwal van de Schie. In de Kleinpolder ten oosten van de Rotterdamse rijweg liggen de percelen weer oost-west, eindigende tegen een wetering. Het grootste deel van deze landerijen vormt een aaneengesloten complex Van Rodenrijs-landen, n.l. Van Rodenrijs, Van den Veen en Van der Spangen. Ook hier liggen de boerderijen op de kleirug o.a. Willems hofstad van den Vene ten zuiden van de kerk. Ten noorden van de Oude Kleiweg eindigen de percelen ook tegen een wetering, de Elvezwet, en lopen noordzuid, wat ook het geval is ten zuiden van de weg, waar de wetering later vergraven is tot een deel van de Rotterdamse Schie. Vooral in de hoek tussen deze wetering en de weg ligt een complex Van der Spangen-landen, waartegenover aan de noordzijde ook Van der Spangen-bezit. Aan de zuidzijde van de Rotterdamse rijweg liggen de percelen straalsgewijs, eindigende tegen de Blijdorpse watering en twee sloten; een lopend naar de Horenweg, de andere naar de Rotterdamse Schie. Dit gehele bovengenoemde complex vormt de vroeg elfde eeuwse ontginning van Schie, waarvan een belangrijk deel in het bezit was van de Van Rodenrijs-groep blijkt te zijn.
De eerste uitbreiding van deze kern is in zuidelijke richting langs de hoge noordelijke oever van het riviertje de Spangen, waarbij men de lange percelen ten zuiden van de kerk tot dubbele diepte over de Horenweg verlengde: de State ter Spanghen, en hierop aansluitend een tweede ongeveer evengroot complex: de Bridorp Sate. Deze laatste bestaat uit enkele grote
percelen, strekkende van de Blijdorpse watering tot de Spangen zelf. De eerste sate heeft kennelijk één groot landbouwbedrijf gevormd. Deze beide grote "saten" zijn zo belangrijk geweest, dat zij naamgevend zijn geworden voor grotere complexen, n.l. de Spaanse (= Spangense) polder en de Blijdorpse (= Bridorpse) polder. Hierop aansluitend volgen naar het oosten enkele grote regelmatige percelen, waarvan de laatsten in het noorden de Rotterdamse Schie bereiken, waarlangs - en evenwijdig aan een kade loopt, die grafelijk domein blijkt te zijn, de 's Gravenweg. Het eerste perceel van dit complex is Van der Spangen c.s. bezit, zodat hier de familie een deel van de ontginning geclaimd heeft. Over het tijdstip van deze laatste ontginning kunnen wij slechts gissen, maar deze zal vrijwel gelijktijdig zijn met die van Zestienhoven in het noorden. Hier is n.l. in eenmaal een concessie van 16 hoeven, elk groot 30 morgen in totaal dus
480 morgen uitgegeven. In tegenstelling tot de oudere ontginningen zijn de percelen hier ongeveer 2250 meter diep; in het noorden eindigt deze ontginning tegen een kade of een zijdwinde, die grafelijk bezit is en sedert de dertiende eeuw in leen wordt uitgegeven. In het oosten eindigen zij eveneens tegen een ontginningskade, de landscheiding, die bescherming biedt tegen het water van het nog onontgonnen Schiebroek; in het westen wateren de percelen af op de (Delftse) Schie. De Van Rodenrijse's hebben hier het deel dat het dichtst tegen de oudere ontginningen aansluit en ongeveer 3 a 4 hoeven groot is. De ontginningen worden later voortgezet met Schieveen en Ackersdijk en ook hier weer hetzelfde beeld. Weer is een groot deel van het tegen de oudere ontginningen aansluitende land Van Rodenrijs-bezit. Met het bereiken van de Oude Lede hebben de ontginners de ontginningen bereikt, die in zuidelijke richting vanuit het Hof van Delft plaats vinden en thans kunnen wij ons wagen aan een tijdsbepaling. Het gebied ten noorden van de Oude Lede wordt door gravin Petronella, overleden 1144, geschonken aan het door haar in 1133 gestichte klooster te Rijnsburg, zodat vauit het noorden de Lede dus omstreeks 1135 is bereikt. Wouter, abt van Egmond (1130-1161), beschikt over de tienden van
Rodenrise en schenkt deze aan het hospitaal te Egmond, wat er dus op wijst, dat de ontginning plaats heeft gehad. Wij mogen dan ook stellen, dat deze in de eerste helft van de twaalde eeuw hebben plaatsgevonden en inderdaad zien wij in 1156 voor het eerst een Van Rodenrijs optreden. In het zuiden van de oudste ontginningen is inmiddels een zelfstandig complex Matenesse ontstaan, maar sedert de tweede helft van de twaalfde eeuw wordt het gebied hier bedreigd door het water, daar een nieuwe stijging van de zeespiegel is begonnen. In Kethel worden in 1164 grote verwoestingen aangericht en worden omstreeks 1170 dijken ter bescherming van het land aangelegd, die door een dam in de Schie dicht bij de kerk van Overschie, aansluiten op de oude ontginningskaden op de oeverwal van de Schie, die verhoogd worden tot waterkerende dijken. Ook langs de Spangen komt er een dijk te liggen en als omstreeks 1200 het laatste meest oostelijke deel van de Blijdorpse polder ontgonnen wordt in percelen van ongeveer 1100 meter diepte, dient ook hier gelijktijdig een beschermende dijk aangelegd te worden. En deze dijk draagt de naam van de ontginner, n.l. Bokelsdijk; ook de tienden in dit deel van de Blijdorpse polder heten de Bokeldijkse tienden en uit de oudste verhoefslaging van de later zeedijk
van Schieland blijkt, dat dit deel van de Blijdorpse polder oorspronkelijk Bokelsdijk heet. Het kan geen toeval zijn dat wij op 3 november 1200 voor het eerst een Theodericus Bokel ontmoeten. In het zuiden wordt ontginnen bedijken en als eerste bedijking komt het poldertje de Zeventig Morgen tot stand, door verbindingsdijken aan te brengen tussen die van
Matenesse enerzijds en die van Galchhoek en de Bridorpsate anderzijds. Dit gebeurt voor de aanleg van de dam in de Schie te Schiedam en na de bedijking van de Blijdorpse polder, dus tussen 1200 en 1245. De helft van dit poldertje, liggende voor de Sate ter Spanghe en de Bridorpsate komt in het bezit van de Van Matenesse-Van der Spangen-groep. Omstreeks deze
tijd moet de erfdochter van Dirc Bokel, heer van Matenesse, gehuwd zijn met het hoofd van deze groep, zodat hier waarschijnlijk sprake geweest is van een wel overwogen zakelijk huwlijk. De noordelijke dijk van dit poldertje, die de zate ter Spanghe verbindt met Dirc Bokels hofstad uter Nesse, komt op de zeventiende eeuwse kaarten voor als Vermaveldijk. In de
middeleeuwen kan een "V" zonder bezwaar de plaats van een "B" innemen en met deze wetenschap wordt deze vreemde naam ons duidelijker n.l. ver Mabelsdijk, dus de dijk van vrouwe Mabelie. Het is wel erg verleidelijk in vrouwe Mabelie de erfdochter van heer Dirc Bokel te zien! Nu is het de beurt aan de Bokels om het dijkfront naar het zuiden en westen op te
schuiven; de latere ambachten Bokelsdijk en Blommersdijk, tot stand gekomen in het begin van de dertiende eeuw. Hierbij claimen de Van der Spangens het land binnen deze bedijking gelegen voor de Bridorpsate en zelfs buiten de nieuwe dijk tot aan de rivier. Inmiddels is in het noord-oosten de onginning van het veengebied voortgegaan. Voor de landscheiding
van Ackersdijk-Schieveen ontstaat het ambachtje de Tempel en de Hof van Rodenrijs, waarschijnlijk in de eerste helft van de dertiende eeuw en kort hierna wordt ook het lage broekland achter Zestienhoven en Oudendijc tot ontwikkeling gebracht. Ook hier treffen we 2000 meter diepe kavels aan.

In de 10e eeuw lag volgens de laatste onderzoekingen Overschie geheel omringd door veenpoelen en plassen, terwijl in het zuiden de Maas toen Merwede geheten voorbij stroomde.

De eerste bewoning in het veengebied waarin Overschie ligt, moet in het begin van de tiende eeuw zijn geweest. Het dorp dankt zijn naam aan het riviertje de Schie, dat in de Merwede (nu Nieuwe Maas) uitmondde. Op initiatief van graaf Dirk II, van wie wordt aangenomen dat hij in 939 aan het bewind kwam, werd vanuit het riviertje de Schie een ontginning in noordoostelijke richting begonnen. Naar het riviertje werd deze ontginning de Hof te Schie genoemd. Bij de hof ontstond op de plaats waar het riviertje in de Merwede stroomde het dorp Schie. Het bestond uit een houten kapel met eromheen wat houten woningen. De kapel te Schie was gewijd aan St. Nicolaas; of de in de twaalfde eeuw gebouwde, eveneens aan de heilige Nicolaas gewijde, Romaanse tufstenen kerk op precies dezelfde plaats stond als de kapel, is niet zeker. Na de eerste bedijking van de Merwede ontstonden buitendijks door aanslibbing gorzen en slikken, die geleidelijk werden ingepolderd. Op dit bedijkte land groeide nu, aan de nieuwe mond van het riviertje de Schie, een nieuw gehucht Schie.

De oude nederzetting Schie werd toen Ouwerschie (later verbasterd tot Overschie) genoemd. Het nieuwe Schie werd later Schiedam. Een grote verandering had plaats in 1343 door het graven van de Rotterdamse Schie. De stad Delft voelde zich hierdoor benadeeld en wist in 1389 van hertog Albrecht toestemming te krijgen voor het graven van de Delfshavense Schie. In 1412 kreeg Rotterdam juridische aanspraken op de gronden aan weerszijden van zijn vaart en Delft verkreeg dezelfde rechten voor zijn Schievaart in 1425. Deze districten heetten de Poorterijen van Rotterdam en Delft. Overschie had in 1477 85 huizen. De Hogenban was in oorsprong een afzonderlijke -de Spangensepolder omvattende - ambachtsheerlijkheid, maar in 1605 kregen Overschie en Hogenban een gezamenlijk bestuur en sindsdien sprak men van de ambachtsheerlijkheid Overschie en Hogenban. Lange tijd bestond het dorp juridisch gezien uit drie delen, waarvan het ontstaan hierboven is geschetst: de poorterijen van Rotterdam en van Delft en de ambachtsheerlijkheid van Overschie en Hogenban. Aan deze toestand kwam een eind in de Franse tijd. In 1811 werden Overschie en Hogenban en de poorterijen van Rotterdam en Delft verenigd tot één gemeente. Ook Schiebroek werd hieraan toegevoegd, maar dat werd in 1 814 weer zelfstandig..In 1492 kocht de stad Delft de heerlijkheid Overschie.

In 1492 werd Delft beleend met het ambacht Overschie met renten, visscherij, wind en anders.
De overgang van het ambacht Schie van Schieland naar Delfland zal in verband hebben gestaan met de aankoop van de ambachsheerlijkheid Schie door de stad Delft van de heren van Naeltwijc in 1492.


Overschie had in 1494 65 huizen.
In 1494 zijn van de 1800 morgen land in Overschie slechts 50 morgen van Overschiërs zelf.

Overschie had in 1514 59 huizen.

In 1514 bevat Overschie nog 6 heerlijkheden: 1) de poorterije (vrijdom) van Rotterdam met 3 huizen, 2) de poorterije (vrijdom) van Delft met 24 a 35 huizen, 3) de heerlijkheid Akkersdijk met 8 huizen toebehorende aan de vrouwe van Reynsbourch, 4) 't ambacht van Sciebrouck waar Adraen van Egmond ambachtsheer is 20 huizen, 5) Beuckelsdyck van ambachtsheer Mr. Jan van Almonde met 14 huizen die tot het kerkelijk gebied van Overschie behoren en 6) de heerlijkheid Matenesse met 9 huizen. In Overschie zelf 59 huizen.

Inmiddels hadden in de tweede helft van de achttiende eeuw grote veranderingen plaatsgehad aan de oostkant van het dorp Overschie door het droogmaken van de uitgeveende polders Schieveen en Zestienhoven. Overschie heeft lang een uitgesproken landelijk karakter behouden. In 1900 waren er 4000 inwoners. Er was toen nog petroleumverlichting. Weliswaar was er reeds in 1866 een particuliere gasfabriek, maar deze floreerde niet. De gasvoorziening hield dan ook op m 1879, nadat de gemeenteraad had geweigerd de exploitatie van de fabriek over te nemen. De petroleumverlichting werd in ere hersteld en deed dienst tot de gemeente Rotterdam in 1912 elektriciteit aan Overschie ging leveren. In 1903 werd waterleiding aangelegd en in 1927 werd Overschie op het Rotterdamse gasnet aangesloten. Het inwonertal was toen ruim 6000 en bleef langzaam oplopen, onder andere door vestiging van forensen. In 1935 waren er 9600 ingezetenen en in 1941, toen de vereniging met Rotterdam tot stand kwam, ruim 11.500. Aan de annexatie waren al enkele grenswijzigingen voorafgegaan, namelijk in 1895, 1903 en 1940.

In 1777 toen de Zuidpolder drooggemalen werd, werden er acht hardstenen palen geplaatst om de grenzen tussen De Tempel en Berkel en Rodenrijs af te bakenen. Volgens informatie van een zeer oud man aan (de) Kandelaar onder Overschie woonachtig heeft in den Tempel een Houten Galgh gestaan. Nadat de Heerlijkheid drooggemaakt was heeft men Twee Steene pilaaren met een Zwaar IJser daarboven tot een Galgh doen vervaardigen in 's najaar van 1777.

 

 

Stompwijk Veur

Stompwijk

Stompwijk nu (foto uit 1992)

Stompwijk is een dorp tussen Leiden en Den Haag, nabij Voorschoten. Tot 1938 was Stompwijk een zelfstandige gemeente. In dat jaar is de gemeente Stompwijk samengevoegd met de gemeente Veur. (Veur en Stompwijk profiteerden van het vele binnenvaartverkeer dat de sluis passeerde, van en naar Leiden, Delft en Rotterdam. De Trekvliet (veertiende eeuw) verbond Voorburg met Den Haag. Met zijn vele welgestelde inwoners vormde Den Haag een grote afzetmarkt voor producten uit Voorburg en Leidschendam). De nieuwe gemeente heet Leidschendam. Stompwijk is nog altijd een afzonderlijk dorp, bestaande uit een (doorgaande) verkeersweg langs een kanaal, met aan weerszijden woningen (de woningen aan de overzijde van het kanaal zijn te bereiken via bruggen, veelal ophaalbruggen). Daarnaast zijn er twee kleine woonwijken met moderne huizen.

Bij het vijftigjarige bestaan van de gemeente Leidschendam (in 1988) is een gedenkboek verschenen, getiteld Over, door en om de Leytsche Dam. Daaraan zijn de volgende gegevens ontleend.

Stompwijk ligt in een regio die de laatste duizenden jaren veelvuldig is veranderd door de invloed van de zee die dan weer eens een stuk land overspoelde en dan weer achter duinen en zandwallen werd teruggedrongen. Van belang was ook het (wisselende) stroomgebied van de Oude Rijn, dat mede het landschap bepaalde. In deze streek lagen de buurtschappen Stompwijk en Wilsveen in een veengebied met droogmakerijen; het naburige Veur werd gekenmerkt door zandruggen.

In het gebied achter de strandwallen, buiten de invloed van de zee, groeide het veengebied nog door tot in de Middeleeuwen. Vanaf ongeveer 1000 zijn grote gebieden door ontwatering (aanleg van sloten) geschikt gemaakt voor bebouwing. In de veertiende eeuw hebben boeren in de veendorpen - blijkens rekeningen waarin de opbrengst van belastingen werd vermeld - zowel akkerbouw als veeteelt bedreven.

De namen van de veendorpen Wilsveen (Willaemsvene) en Stompwijk zijn in de dertiende eeuw voor het eerst vermeld. Graaf Floris V verkocht in 1281 het gehucht Wilsveen; het andere dorp is in 1283 voor het eerst in een bewaard gebleven document genoemd in de verwijzing naar een zekere Mouwerin Dircsz van Stompic. In 1395 wordt het dorp aangeduid als Stompwic.

Omstreeks dezelfde tijd begon men hier turf te steken, vooral in het veengebied aan de kant van Stompwijk. De turf werd gebruikt voor de verwarming in de nabijgelegen steden (Den Haag, Leiden, Delft). Zo werd vruchtbaar akkerland tot onvruchtbare grond, alleen nog geschikt voor veeteelt. Omdat het verveende land de belastinginners minder geld in het laatje bracht, werden aan het steken van turf strenge beperkingen opgelegd.

Een gravure uit 1740 toont aan dat in ieder geval in die tijd op bescheiden wijze tuinbouw in deze omgeving voorkwam.

Uit een document van 1686 blijkt dat inwoners van Stompwijk die zich bezig hielden met turfsteken, niet altijd in staat waren de pachtpenningen te voldoen. Wie in die situatie kwam, moest volgens het oude dijkrecht vertrekken. Wie namelijk niet meebetaalde aan de gemeenschappelijke lasten van de polder, werd als onmaatschappelijk beschouwd.

De eerste gegevens over de bevolking van Stompwijk dateren uit 1623. In Stompwijk stonden toen 115 woningen met 613 bewoners. In 1674 werden alle belastingplichtigen opgesomd uit de regio. In Stompwijk waren dat er 76. Van hen waren 31 'zonder beroep' - vermoedelijk waren zij boeren. Verder werden de volgende beroepen geregistreerd: bouman (= boer) (4); veenboer (1); veenman (6); baggerman (8); turfman (3); arbeidsman (8); winkelier (3); bakker en cramer (1); wever (1); schoenmaker (1); timmerman (2); dekker (2); scheepmaker (2); bleekster (1); veerman (2). Al deze mensen moeten bekenden geweest zijn van de gezinsleden van onze voorvader Lenaert Hillebrandszn., in die tijd woonachtig in Stompwijk. Hij, of één van zijn zonen zou zeer wel de genoemde veenboer geweest kunnen zijn, gezien de relatieve welstand van het gezin.

De bewoners van Stompwijk waren in de 17e en 18e eeuw voor 75% rooms-katholiek.

Een publicatie over 'moord en doodslag in de 17e eeuw' van de Stichting Behoud Erfgoed Leidschendam maakt melding van een dodelijke steekpartij in 1673 voor de deur van de herberg De Schenkkan, gelegen tegenover de Kniplaan. Twee mannen, Ary Leenderts Bonenburch en Gerrit Jans Klaver, die even eerder nog samen een pijpje hadden gerookt, stonden plotseling met messen tegenover elkaar. Klaver zakte in elkaar: dood. Bonenburch hoorde als eis: onthoofding bij de Gravesteen in Leiden. Hij werd veroordeeld tot honderd jaar en één dag verbanning uit Stompwijk, met verbeurdverklaring van al zijn bezit.

In het Zuid-Hollandse veengebied is tot diep in de 19e eeuw turf gestoken. Toen de veenafgraving beëindigd werd, is het gebied grotendeels agrarisch geworden, met in de omgeving van Rotterdam tuinderijen waar groente, fruit en bloembollen werden gekweekt.

 

 

Aan de oostzijde wordt Katwijk in de Veur in 1553 op last van dijkgraaf en hoogheemraden voor rekening van Pijnacker en Berkel afgesloten door het leggen van de Berkelse kade, gewoonlijk Pissenkade genoemd. (

Vrijenban

Vrijenban

Vrijenban

Vrijenban, het poldergebied waartoe Delfgauw behoorde werd in de jaren 1212-1214 al genoemd. Tot 1795 was Vrijenban een ambachtsheerlijkheid samen met Ackersdijk, Vrouwenrecht en Abtsrecht . Van 1795 tot 1798 een municipaliteit, en van 1798 tot 1811 gemeente. In 1812 werd de gemeente opgeheven maar in 1818 weer heropgericht. Bij een herindeling in 1826 werd al het Hof van Delfts grondgebied ten oosten van de Schie en Delft toegevoegd aan Vrijenban. De gemeente is op 1 januari 1921 opgeheven en grotendeels bij Delft gevoegd, terwijl al het Vrijenbans gebied ten westen van de Schie tot Hof van Delft ging behoren. De huidige oppervlakte van de wijk is minder groot dan de oorspronkelijke gemeente.

 

Zevenhuizen

Zevenhuizen

Zevenhuizen

Op de westelijke oever van de rivier de Rotte stonden waarschijnlijk in de twaalfde eeuw zeven huisjes, waar de plaats Zevenhuizen zijn naam aan dankt. Vanuit deze eerste kern begon men de nabije woeste gronden te ontginnen, wat ervoor zorgde dat de kern van het dorp Zevenhuizen steeds verder van de rivier vandaan kwam te liggen. Aan het begin van de vijftiende eeuw werd het fundament gelegd van een kerk die een eeuw later met een toren werd voltooid – ondanks een onderbreking van de bouw door de Hoekse en Kabeljauwse twisten.

Rondom de 12e eeuw hebben de eerste Zevenhuizers zich gevestigd aan de Rotte. De vestiging aan de dijk werd het latere Zevenhuizen.

Onduidelijk is wanneer Zevenhuizen precies is ontstaan. Op de westelijke oever van de Rotte vlak bij de meren zijn aardewerkscherven gevonden uit het begin van de 12e eeuw. Sporen van de eerste Zevenhuizenaren zijn gevonden op de oeverwal ter hoogte van het Korenmolengat waar nu Landal is gevestigd. Nadat het eerste huisje gebouwd was, volgden er al snel meer, zodat een kleine woongemeenschap ontstond waaraan de naam Zevenhuizen werd gegeven. Gezien deze naam mag worden aangenomen dat gedurende enige tijd zeven huisjes hier hebben gestaan.

Het waren waarschijnlijk stulpjes van hout en riet, waarvan totaal niets meer is teruggevonden.

In de Middeleeuwen was het gebied van Zevenhuizen en Moerkapelle een vrijwel onbewoonbaar drassig moeras en slechts via de natuurlijke waterwegen enigszins bereikbaar.

Het oorspronkelijke riviertje de Rotte was de belangrijkste toegang tot dit gebied. De eerste bewoningscentra bevonden zich op de oeverwallen van de Rotte. Van hieruit begon men met de ontginning van het gebied voor de landbouw.

Door de eerste bewoners werd het land in cultuur gebracht en geschikt gemaakt voor landbouw en veeteelt. Het land werd verdeeld in 'weren', lange smalle stroken land, van elkaar gescheiden door de sloten. De eerste ontginning reikte tot de huidige Noord- en Zuideindse weg. Van hieruit begon de volgende ontginningsfase oostwaarts in de richting van Waddinxveen.

Aangezien de ontgonnen gronden steeds verder van de Rotte kwamen te liggen, begon de afstand een rol te spelen. Er werden huizen gebouwd aan de wegen, waardoor de nieuwe dorpskern van Zevenhuizen kwam te liggen op de plaats van het huidige dorp. Dit is natuurlijk een geleidelijk proces geweest. Blijkens een archeologisch onderzoek is met de bouw van de huidige laat-middeleeuwse kerk begonnen in de eerste kwart van de 15e eeuw, maar kwam stil te liggen tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten tussen 1418 en 1428. De toren dateert van circa een eeuw later.

Van de oorspronkelijke verkaveling die bij de ontginning werd gevolgd, is niets meer overgebleven. Door de intensieve afgraving voor de turfwinning, is het gehele middeleeuwse ontginningspatroon verdwenen. Alleen in de Nessepolder bij Oud Verlaat is hiervan nog wat terug te vinden.

 

Zoetermeer - Zegwaart - Roggeveen

Zoetermeer

 

Zoetermeer was een bottingambacht; botting was een belasting, het woord is een verbastering van bod - ding. Ding is een oud woord voor vergade- ring of rechtszitting. In oude tijden bezocht de graaf alle plaatsen van zijn graafschap en hield daar een rechtszitting, deze rechtszitting was het bod - ding. Later ontstane plaatsen kenden deze belasting niet. Van der Linden vermeldt dat in het jaar 1100 reeds geen bod-ding meer werd gehouden, Hoefnagel neemt aan dat dat reeds in 1063 het geval was.Zoetermeer, oorspronkelijk op de Oostoever van het Zoetermeerse Meer ont- staan in het begin van de 11e eeuw is in de 12e eeuw tijdens de ontgin- ning van de gebieden aan de zuidzijde van het meer hiernaar overge- plaatst. (B01) (O).Voor het begin der 12e eeuw was de "Botting" de grafelijke belasting, pas daarna kwam de "Bede". Bottingambachten behoorden dan ook tot het oudste woongebied van Holland.

 

Ontginning: Tot 1955 meenden historici dat de kolonisatie van de Hol- lands-Utrechtse laagvlakte omstreeks 1200 begonnen was. (Geboren uit het feit dat de oudst dan bekende oorkonde welke betrekking heeft op de kolo- nisatie in Holland van 1233 dateert). Hollanders zo bleek later, koloni- seerden in 1106 reeds de Bremer Marsen in Duitsland en verder onderzoek leerde dat Esselijkerwoude, Rijnsaterswoude en Leimuiden reeds in 1063 kapellen hadden, waaruit en uit andere vergelijkingen opgemaakt kon wor- den dat de kolonisatie van Holland voor 1063 begonnen moet zijn. In de verdere studie komt men tot het jaar 1000 voor het eerste begin. Zoeter- meer moet voor 1000 ontgonnen zijn en Zegwaart na 1200 en pas daarna Rog- geveen (Rokkeveen).

In de eerste duizend jaren van onze jaartelling lag hier, tussen Leiden en Utrecht, een uitgestrekt gebied van wilde vennen en wouden, moerassig en begroeid met riet en laag kreupelhout. Ten noorden van Zoetermeer lag een bos (vandaar het woord 'woud' in de plaatsnamen Zoeterwoude, Gelderswoude en Hazerswoude). Ten zuiden van Zoetermeer lag het terrein wat lager. De plaatsnamen Zegwaart (Zegwaard) en Moerkapelle geven dit aan. (Waart = laag gelegen land; moer = moeras; zegge is een moerasplant).

De graven van Holland gaven omstreeks 1100 de aanzet tot de ontginning van het onbewoonde veengebied. Uit die tijd dateert Zoetermeer, genoemd naar een meer waaraan het lag. De eerste bewoners vestigden zich tussen 1000 en 1063 aan de oevers van het meer.

In de 14e eeuw werd een begin gemaakt met de winning van turf door het afsteken van het veen tot het grondwaterpeil. Met de invoering van windwatermolens kon door bemaling het grondwaterpeil laag worden gehouden. De eerste windwatermolen van Zoetermeer is in 1456 opgericht; die in Zegwaard in 1460.De ontginning van Zegwaard begon omstreeks 1150

Later werd, na het bereiken van het grondwaterpeil, 'geslagturfd': er werd turf gebaggerd (onder de waterspiegel weggehaald). Zo zijn in de streek veenmeren ontstaan. Enkele plekken (bijvoorbeeld een begraafplaats) werden niet afgegraven. Zij steken ook nu nog enkele meters boven het maaiveld uit. Ook de voorvaderen (van der) Sman hebben zich beziggehouden met dit 'slagturven', oorspronkelijk in de omgeving van Stompwijk,later ook rond andere bekende veenplaatsen waaronder Zoetermeer.

In de tijd van onze voorvader Hillebrant is Zoetermeer direct betrokken geraakt bij de tachtigjarige oorlog. Op 31 oktober 1573 hadden de Spanjaarden het beleg om Leiden geslagen. Om deze stad uit zijn benarde situatie te redden werden op 3 augustus 1574 de dijken rondom Zoetermeer doorgestoken zodat het gebied onder water kwam te staan. Zo'n drieduizend Spanjaarden trokken zich terug op de Voorweg in Zoetermeer. Hierdoor kon de vloot van de watergeuzen uit Rotterdam de brug in de Voorweg niet passeren. Enkele burgers van Zegwaard wezen de geuzen een 'sluiproute' via Zegwaard en Zoeterwoude. Zo kwamen ze toch bij Leiden aan. Op 20 september 1574 verlieten de Spanjaarden Zoetermeer. Het zou nog vele jaren duren voordat de ondergelopen gebieden weer droog waren.

In 1613 werd begonnen met het droogmaken van het Zoetermeerse meer. De droogvallende gronden werden verdeeld tussen Zoetermeer en Stompwijk.

1614. Zoetermeerschemeerpolder te Zoetermeer, 533 Ha drooggemaakt. Octrooidatum 15-3-1614, gereed in 1616.

 

De Zoetermeerse polders: Binnenwegh, Bovenwech, Buitenwech, Groenewech, Hoogeveen, Nieuweveen, Roeleveen en Tedingerbrouck.

 

Polders

Binnen, Buiten, Boven

Bij bestudering van 17e eeuwse kaarten van Zoetermeer valt op dat de naamgeving van de Zoetermeerse ontginning rond de Voorweg en de Zegwaartse en Rokkeveense ontginning overeen komt. In beide gevallen is sprake van een Voorweg: de Voorweg in Zoetermeer (ook wel Zoetermeerse Voorweg) en de Zegwaartseweg, die ook wel Zegwaartse Voorweg genoemd wordt. Evenwijdig aan de Voorweg loopt de Groeneweg of Achterweg; de Groeneweg in Zegwaart wordt in 1531 Aftergroneweg genoemd. Opvallend is dat de stukken land ook worden aangeduid met namen die eindigen op "weg" ("wech" of "wegh"). Het gebied tussen de voor- en achterweg heet "Binnenweg", het gebied aan de overzijde van de Voorweg heet "Buitenweg". Het gebied "Voor Seghwaert" op de kaart van 1615 wordt ook wel Buitenweg genoemd. Het stuk voorbij de Groeneweg heet in beide gevallen "Bovenweg". Een mogelijke verklaring voor deze naamgeving is dat het stuk Binnenweg binnen de twee wegen en het stuk Buitenweg buiten de wegen lag. Bovenweg bestond waarschijnlijk uit onontgonnen, en dus hoger liggend, wildernis. In Zoetermeer en Zegwaart is Bovenweg nooit als landbouwgrond in gebruik genomen, in plaats daarvan werd het al vroeg gebruikt voor de turfwinning. Eenzelfde combinatie van een Voor- en een Achterweg met stukken land die Buiten-, Binnen- en Bovenweg worden genoemd treft men verder alleen aan in de ontginning van Hazerswoude en (voor zover bekend) niet in andere veenontginningen in Holland. Hoe oud deze namen zijn, is niet bekend.

 

Ambacht Het huis van Arent

Morgenboek Zoetermeer 1580 (Oud Archief Rijnland inv. 8504)
Delfsevaert
Adriaen Cornelisz. Jongesman 1 m. 1 h Fol. 68v

Dese caert gemaakt en gecoepieert naar de origineele caert die gemaakt is door den geswoore lantmeeter Pieter Floris vander Salm inden jaren 1649 en te seeceterij van Delflandt is berustende , bevonden daermeede te accordeeren, Actum Hage den 11 Nove[mber] 1740 J. Bloteling lantmeeter [Tekstblok:] Caerte betreden betroucken ende ontwerp gedaan ende gemaakt bij mijn ondergeschreuven van een gedeelte van Soetermeer genaempt Roel ofte Aertgensveen gelegen aende zuijdtwest zijde vande Delflantschen lantscheijdinge, onder Delflant tusschen Hoogeveen, Nieuweveen ende Stompwijck, alles uijtwijsende dese caerte, aldus gedaan in Octo[ber] 1649 bij mij Pieter Floris van der Salm geswooren lantmeeter [Losse tekst:] Pat ofte caede tusschen Soetermeer en Stompwijk, Soetermeer onder Rijnlandt, 13 paal Berkel, 14 paal Watering, 15 paal Monster, 16 paal Voorburgh, Stompwijk onder Delflandt, de landtscheijdinge tusschen Rijnlandt en Delflandt, 't huijs van Huijbert Leendert Sas, Hooge staal ofte weijlandt, dit is genaempt Roel ofte Aertgensveen onder Soetermeer in Delflandt, Hoogeveen, huijs Arentse Sman, 't huijs van Frans Coijman en Leendert Alders, Nieuweveen, Vrou Auensloot, dese sloot wert genaamt der Veenkant, Nieuweveen, Maashuijsinge, den Otwecht.

Op de kaart van de atlas 1868 (de beroemde Kuijper atlas) is dit stukje land en de lokatie van Adriaens huis nog goed te herkennen. Maar op de Google projectie (van 2009) zien we dat het verdwenen is onder het stukje A12 tussen het viaduct Afrikaweg en de afslag Nootdorp. De Roeleveenseweg welke daar voor een stuk naast de A12 loop herinnert (v.w.b. de naam) nog aan de oude situatie. Het achterliggende stuk grond, thans Burggolf Zoetermeer geheten, was de Roeleveenpolder, aan de overkant lag de polder 100 Morgen

 

Zwaanshals

Zwaanshals in vroegere eeuwen.

Uit Stompwijk zijn Smannen aan de Rotte neergestreken aan 't Zwaanshals, toen in het landelijke gebied aan de noordelijke rand van Rotterdam.

 

 

 

De Rotte en Zwaanshals circa 1700.

Een pentekening van de rivier de Rotte en Zwaanshals, ongeveer 1700. Links op de voorgrond is Crooswijk waar een brouwerij van Heineken heeft gestaan. Rechts achter bij de molen waren de warmoezierslanden.

 

 

Dit is één van de oudste foto's van het 'Oude Noorden' van Rotterdam; een foto van omstreeks 1875. De foto toont de Blommerdijksche molen, die in 1722 gebouwd is. Dit was de zogenaamde seinmolen van het Schieland. Dit hield in dat andere molens aan de Rotte pas mochten gaan malen als de Blommerdijksche molen daartoe het teken had gegeven. Overdag gebeurde dit met de wieken; 's nachts met behulp van een brandende lantaarn.
In 1878 werd het werk overgenomen door een stoomgemaal. De molen werd gesloopt.
Het rechter huizenblok staat op de hoek van het Zwaanshals. Tussen de twee huizenblokken begint de Noordmolenstraat. Op de achtergrond is nog net de koepel van het huis van bewaring aan de Noordsingel te zien.
(Deze toelichting is ontleend aan het boekje 'Groeten uit het oude Noorden')

* * *

 

Zwaanshals tegen het eind van de negentiende eeuw, kort voordat de tuinderijen onteigend werden en hier gestapelde arbeiderswoningen gebouwd werden.

Nog een foto van 't Zwaanshals uit ongeveer 1875. De koeien lopen door de straat, ter hoogte van de Hooglandstraat. Voor de mensen die in die tijd hier vlakbij tuinderijen hebben gehad, moet dit een vertrouwd beeld zijn geweest.

Een tuinderij vlak tegen de stadsrand aan had het voordeel dat er weinig tijd nodig was voor transport; de tuinderijproducten konden zeer vers aan de klanten in de stad worden geleverd. Dat de tuinderij aan de Rotte lag, had een groot voordeel: het transport van de geoogste groente kon per boot over de rivier plaatsvinden.

Er zijn in de verschillende documenten allerlei aanduidingen voor de Zwaanshals te vinden. Aanvankelijk werd in adressen de buurt aangeduid als Q. Heel Oost-Blommersdijk behoorde trouwens tot wijk Q.
Vanaf 1841 was er sprake van wijk 14. Er kwamen toen ook andere huisnummers. In de loop der eeuwen zijn de woningen aan 't Zwaanshals wel dertig keer omgenummerd.

Op 4 september 1893 brak in een loods van de familie Glimmerveen aan het Zwaanshals (Gelderlozepad) een felle brand uit. Nieuwsgierigen gingen in de late avonduren kijken. Velen wilden met een pontje over de Rotte. Toen het pontje voor de zoveelste keer afgeladen vol overvoer, ging het gerucht aan boord dat iemand overboord zou zijn geslagen. Iedereen ging naar dezelfde kant om te kijken. Gevolg: de pont sloeg om en tien mensen verdronken. Het bericht, dat de volgende dag in het rooms-katholieke dagblad De Maasbode stond, is opgenomen in deze bijlage.

De naam 't Swaanshaels of 't Swaanshals is later veranderd in 'Zwaanshals'. Deze naam komt - als straatnaam - nog steeds voor in Rotterdam. De straat is zonder twijfel nog op dezelfde plaats als twee eeuwen geleden.

Zwaanshals in Rotterdam (foto uit 1992)

In de eenentwintigste eeuw is Zwaanshals een typische volksbuurt in het 'Oude Noorden' van Rotterdam. Langs de straat staan arbeiderswoningen van vier verdiepingen zoals deze aan het einde van de negentiende eeuw in de grote Nederlandse steden werden gebouwd (vergelijkbaar met 'De Pijp' in Amsterdam). Voor de woningbouw is ruim een eeuw geleden de grond van de tuinders onteigend. In een deel van de (enkele kilometers lange) straat zijn nu op de begane grond winkeltjes en cafés gevestigd; daaronder Turkse bedrijfjes. De straat ligt in een stadsvernieuwingswijk; aan een deel van de straat staan nieuwe flats.

De naam van de weg is ontleend aan de (flauwe, maar ook scherpe) bochten erin, die de bochten in de rivier de Rotte volgden. Het Zwaanshals en omgeving vormt een van de oudste bewoonde plaatsen in deze regio. In de zestiende eeuw lag in dit gebied de herberg Het Swaenshals.

Bij de aanleg volgde de weg de loop van de rivier de Rotte die door de tuinders in de omgeving gebruikt werd zowel voor de bevloeiing van de tuinderijen als voor het transport van de groente naar de stad. De straat Zwaanshals ligt nu voor een klein stuk direct aan de Rotte; voor een deel ligt Zwaanshals een stukje terug; daar ligt de Zwaanshalskade direct aan de rivier.

 

* * *

Het Gelderlozepad omstreeks 1950. Dit was het laatste stukje van deze weg die inmiddels geheel is verdwenen.

 

Hieronder twee kaartjes van dit deel van Rotterdam waarop te zien is waar het Gelderloozepad liep.

Fragment uit een plattegrond uit 1895. De geel ingetekende straat die aan de westkant van de rivier de Rotte loopt (naar links boven) is 't Zwaanshals. De andere geel ingekleurde straat is het Gelderloozepad.

Fragment uit een plattegrond van 1925. Het Gelderloozepad is geheel verdwenen. Op de plaats van de vroegere tuinderijen is een woonbuurt verrezen. (Met een blauwe stippellijn van een ballpoint is ingetekend hoe het Gelderloozepad eerder heeft gelopen).

Het ZWAANSHALS TOEN EN NU:



Vroeger...
In het Oude Noorden bevinden zich talloze winkelstraten. Een daarvan is het Zwaanshals. In 1593 stond er een huis met de naam 'De Swaenshals'. In 1643 dook datzelfde pandje op onder de naam 'De Witte Gecroonde Swaen' en in 1667 bleek de naam te zijn veranderd in 'Dae uythangt het Swaenshals'. Toen ging het slechts om één huis in de toenmalige buurt Blommendijk. Pas veel later, omstreeks 1900, werden Zwaanshals en omgeving een echte 'buurt'.

Zwanen
De historische oorsprong van de naam Zwaanshals is nooit helemaal duidelijk geworden. Historici houden het er op dat de naam in verband staat met de bocht in het riviertje de Rotte, dat op die plek de vorm heeft van een zwanenhals. Een andere, vaak geopperde mogelijkheid dat de naam Zwaanshals zou zijn afgeleid van het toenmalige, noordelijker gelegen, Zwaneneiland lijkt uitgesloten. Deze plek, waar de Rotterdamse stadszwanen overwinterden, dateert van recenter datum, evenals de naam van de houtzaagmolen aan de Rotte. Deze molen, genaamd "De Twee Zwanen', werd voor het eerst genoemd in 1671.

Klaar...?
De wijk "Het Oude Noorden" is gebouwd in het begin van de 20e eeuw en is van oudsher een arbeiderswijk. In de jaren 80 en 90 is een groot deel van de oorspronkelijke bebouwing aangepakt in het kader van de stadsvernieuwing. Daarbij zijn woningen en bedrijfsruimten gerenoveerd, maar vaak ook gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Eind jaren 90 heeft de gemeente een einde gemaakt aan de grootschalige stadsvernieuwing. Deels was dat het gevolg van de inperking van financiële middelen vanuit het Rijk en de vergroting van de verantwoordelijkheid van woningcorporaties. Tevens had men het idee dat men klaar was met de stadsvernieuwing. Tegenwoordig maakt het door de winkelstraat het Zwaanshals, de Zwaanshalskade en de Zaagmolenkade begrensde buurtje langs de Rotte deel uit van de wijk het Oude Noorden.