Duiten "Geld en Waarden"

 

Er doemen nogal eens wat vragen op rond geld en de waarden die onze voorouders in hun bezit hebben gehad. Het is handig je bewust te zijn van het feit dat de impost welke betaald moest worden bij een begrafenis of huwelijk, eigenlijk de vastlegging is van stand en standing van de betrokkenen, zeg maar de economische voet waarop zij leefden, je moest namelijk betalen naar de waarde die je vertegenwoordigde voor de belastingen.

Impost op het trouwen en begraven.

Wat is impost? In het jaarboek 1989 van het Centraal Bureau voor Genealogie staat dit vermeld in een artikel van Yvonne Prins, uitgebreid met een lijst met voetnoten.  Voor ons is belangrijk voetnoot 123 met uitleg over de impost: "De vele oorlogen in de zeventiende eeuw hadden  de Republiek der Verenigde Nederlanden veel geld gekost. Daarom heeft de Staten van Holland op 15 november 1695 een voorstel gedaan om een impost = heffing in te stellen op het trouwen en begraven. Het voorstel werd aangenomen in een nieuwe wet. Er waren vijf klassen namelijkHfl. 30,-, Hfl 15,- Hfl 6,- Hfl 3,- en ‘pro deo’ [* Hfl. Is in Hollandse guldens.]".

 

1 ste klasse:Hfl 30,-: Baljuwen, schouten, burgemeesters, schepenen, raden, thesauriers, pensionarissen en secretarissen van de steden in Holland en Westfriesland. Ook de baljuwen, drosten en dijkgraven van de hoogheemraadschappen vielen onder dit tarief. Vervolgens al degenen die bepaalde ambten bekleden waaraan een jaarlijks inkomen was verbonden van Hfl 800,- of hoger en diegenen die een vermogen bezaten van Hfl 12.000,- of meer.
2de klasse:Hfl 15,-: Personen die een jaarsalaris verdienden van tussen de Hfl 400,- tot Hfl 800,- en degenen die zonder speciaal ambt te bekleden behoorden tot de bezitsklasse met een eigen vermogen van Hfl 6.000,- tot Hfl 12.000,-
3de klasse:Hfl 6,-: Personen die jaarlijks een inkomen hadden van Hfl 200,- tot Hfl 400,- of behoorden tot een bezitsklasse met een eigen vermogen van Hfl 2.000,- tot Hfl 6.000,-.
4de klasse:Hfl 3,-: Personen die minder dan Hfl 200,- per jaar verdienden of  behoorden tot een bezitsklasse met een eigen vermogen van minder dan Hfl 2.000,-.
5de klasse: Pro Deo: voor onvermogenden.

 

Wat hield dat nu in? Laten we eens kijken naar wat algemene inkomens en onderhoudsgegevens;

Het bestaansminimum voor een huishouden in de Hollandse steden wordt voor 1650 op inkomsten ter hoogte van 200 gulden geschat. Het jaarinkomen van een ongeschoold arbeider bedroeg er toen zeker niet meer dan 240 gulden, eerder minder, waarbij dan nog wat moeilijk te becijferen extra inkomsten van andere gezinsleden kunnen komen. Ter overbrugging van momenten zonder werk of inkomen, maar ook om zich te vestigen, zijn huis in te richten, bij ziekte en grote uitgaven voor kleding of huwelijk moest men zich in de schulden steken en bleef van het magere salaris nog minder over.

Werkloosheid, ook tijdelijk, werd al gauw een kleine ramp voor het gezin. De koopkracht werd bovendien beïnvloed door de van jaar tot jaar sterk wisselende prijzen van de eerste levensbehoeften. Hoewel de nominale lonen sedert de Opstand heel sterk waren gestegen, gold dat veel minder voor het reële loon, dus voor de koopkracht. Rond 1650 was die in een dal geraakt waaruit ze de komende decennia weer snel omhoog krabbelde om in de jaren 1680 een hoogtepunt te bereiken. De jaren na 1650 vormden de doorbraak van de gouden eeuw voor de gewone man. De lonen bleven op peil, en door de bank genomen stegen de prijzen niet, ze konden zelfs dalen. 

Hoewel vier vijfde van de bevolking minder dan 600 gulden per jaar verdiende, bedroeg het gemiddeld gezinsinkomen van die grote groep naar schatting toch zo'n 363 gulden. Iets hoger in de maatschappelijke orde waren ook de salarissen wel wat vetter. Een dorpspredikant verdiende zeker tweemaal zoveel als een arbeider, maar hij had dan ook beroepskosten en standsverplichtingen. En vooral: zijn vrouw kon het zich eigenlijk niet veroorloven erbij te werken - iets wat voor een loonarbeider vanzelfsprekend was. Een predikant genoot maatschappelijk aanzien en cultureel prestige, zeker op het platteland waar hij niet zelden de enige intellectueel geschoolde was, maar financieel was het voor hem beslist geen vetpot. Boeken, papier, pennen en inkt, een mantel en hoed voor hemzelf, een passende muts en 'japonse rok' voor zijn vrouw waren uitgaven waarop niet kon worden beknibbeld maar die bij tegenslag al gauw de nodige hoofdbrekens kostten. In een pamflet van 1658 berekende zo'n predikant dan ook uitvoerig waarom een salaris van 500 gulden voor hem ontoereikend was.

Nevenwerkzaamheden (betaald schrijfwerk, lesgeven, land of tuinbouw, ja handel) waren dan ook nauwelijks te vermijden wilde zo'n dominee zijn stand op kunnen houden. Dat gold ook voor leraren aan de Latijnse scholen. Ze kregen een vergelijkbaar salaris dat werd aangevuld met bijlessen en het houden van kostleerlingen. Bedeelden of weeskinderen moesten het met minder dan een kwart van dominee's salaris doen: honderd gulden per jaar was voor hen al heel mooi. Een matroos op een haringbuis verdiende in 1658 per maand 12 gulden, met een toeslag in haring. Voor gewone soldaten als piekeniers en musketiers bedroeg het minimumloon 11 gulden per 'heremaand' maar die 'maand' duurde 42 dagen. Het was dus in geen geval een vetpot. Maar de Republiek onderscheidde zich tenminste van nogal wat andere Europese staten door de relatief betrouwbare betalingspraktijk van de overheid, zodat aan ambtenaren, predikanten, loonarbeiders en soldaten een minimale bestaanszekerheid gewaarborgd was.

In de 18e eeuw lagen de daglonen op het platteland in het westen rond de 1 gulden per dag, in het zuiden en oosten lag dit tussen de 10 stuivers en 1 gulden per dag. Voor een vakman iets meer, voor een knecht wat minder. In en rond de steden lagen de loonkosten hoger (het dubbele). Er werd  onderscheid gemaakt tussen inhuren 'met de kost' en inhuren 'op eigen kost'. In het eerste geval kreeg met niet alleen dagloon maar ook de kost en eventueel een slaapplaats. Omdat de kosten van levensonderhoud het belangrijkste deel van de uitgaven vormen, kon een lager dagloon met kost, meer waard zijn dan een hoger dagloon zonder kost.Rond 1730 schreef Johan van der Hoeven voor dat armlastigen op de linker bovenarm een gele ruit met de letters "B.R." moeten dragen.

 

1724. Ariaantje van der Boon, vroedvrouw te Berkel en Rodenrijs heeft een aanbod gekregen van die van Vlaardingen, "om zich daar te vestigen en ze zal daar verdienen 100 gld's jaars, bij ziekte en gezondheid en daarbij nog enige douceurs.


In de 19e eeuw werd het allemaal wat slechter, dagloners/arbeiders hadden in 1840 een loon van gemiddeld f. 0,60 tot f. 0,75 per dag, als er werk was. Aan huur betaalden ze twee kwartjes tot zestig cent per week en volgens het gemeentebestuur was het inkomen "te gering om daarvan iets op zij te leggen". Bij strenge vorst en vaker in de winter of bij ziekte ontvingen deze mensen geen loon en dan was het dus armoede. De gemeente of kerk moest bijspringen met wat geld en wellicht brood. Ook op kerkelijke feestdagen werd er niet gewerkt en ontving men dus geen loon. Een kerstpakket met voedingsmiddelen hielp in het verleden om de eerste kerstdag, die niet per definitie op een zondag viel, door te komen.

De waarde van het geld lag natuurlijk wel wat anders. Stel mijn over-overgrootvader erfde 1000 gulden in 1850. Hoeveel zou dat nu waard zijn? Wat moet ik me daarbij voorstellen? Een antwoord op dergelijke vragen is lastig te geven. Je moet niet alleen kijken naar de geldontwaarding die zich de afgelopen 150 jaar heeft voorgedaan. De waarde van het geld hangt ook sterk samen met de goederen waaraan je het kunt uitgeven. Met die1000 gulden zou hij b.v. een huis hebben kunnen kopen, maar dat was een huis zonder sanitair, electriciteit, luxe keuken, badkamer. Er zou geen dubbel glas in zitten, het zou geen spouwmuren hebben hebben en de ruimte zou ons vermoedelijk ook wat tegenvallen. Je kunt dus niet zeggen dat die 1000 gulden van 150 jaar geleden, nu 300.000 gulden waard is.

Dit geldt ook voor de besteding van het loon. Vaak ging 70% of meer van het inkomen op aan eerste levensbehoeften: het grootste deel daarvan aan eten (brood, aardappelen, pap). Stel je eens voor dat je nu voor 1500 gulden per maand brood (of aardappelen of pap, of een combinatie daarvan zou opeten), dat is 25 broden per dag per gezin of 50 kilo goedkope aardappelen!  Een andere factor, die vergelijking bemoeilijkt, is het verschil in belastingheffing.

 

Belastingen

Waar precies in de belevingswereld de drempels van het persoonlijk vermogen lagen blijkt uit de termen 'kapitalisten', in 1653 in Holland ingevoerd voor degenen die een vermogen van meer dan 2000 gulden bezaten, en 'halve kapitalisten', voor vermogens boven de 1000 gulden. Hoewel het uitermate moeilijk is om inzicht te krijgen in de reële belastingdruk die op de huishoudens rustte, is berekend dat rond 1650 de bovenste 30% van de samenleving in totaal gemiddeld zo'n twintig gulden per hoofd aan belastingen betaalde, de onderste 70% ruim elf gulden per hoofd. 
Twee conclusies dringen zich op: naarmate een gezin groeide woog de belastingdruk zwaarder, en gezien de grote verschillen tussen de inkomens werd de betere burgerij door de fiscus relatief ontzien. De belasting was in feite niet progressief, maar regressief. Maar in tegenstelling tot de meeste ander landen van Europa bestond er in de Republiek nauwelijks belastingvrijdom op grond van heerlijke of kerkelijke voorrechten.
Iedereen - of bijna iedereen - was voor de fiscus gelijk.

 

En tenslotte: door massaproduktie en invoer uit de derde wereld zijn sommige produkten verhoudingsgewijs veel goedkoper geworden. Kousen stoppen loont niet meer en naar de schoenmaker gaan is alleen verstandig als het om dure, enigszins traditioneel vervaardigde, schoenen gaat. Al met al is heel moeilijk om een goede vergelijking te maken.




Reken-eenheden.


Zuidelijke Nederlanden (globaal): 1 gulden of 1 pond = 20 schelling
1 schelling = 12 penningen of 12 deniers
1 penning = 2 obolen
of
1 gulden = 20 stuivers
1 stuiver = 4 oort
1 oort = 2 negenmannekens
1 oort = 18 myten
1 stuiver = 3 plecken
1 pleck = 24 myten
Noordelijke Nederlanden (globaal): 1 gulden = 20 stuiver
1 stuiver = 16 penningen
Voorbeeld (1 stuiver = 16 penningen):
1.19.12
0.13.11
--------- +
1.32.23 = 1.33.7 = 2.13.7

Noteren en rekenen (Uit: L.M. Hollestelle e.a. (red.), Werken met Zeeuwse bronnen, Amsterdam, 1998)

Ca. 790. In deze tijd was de Penning 1,71 gr zilver en de 1/2 Penning of Obol de helft van dat gewicht in zilver, een Schelling was 12 Penningen en een Pond 240 penningen.

In 794 voerde Karel de Grote de zilveren Karolingse penning in in zijn gehele rijk. De zilveren denarius of penning van Karel de Grote werd o.a. te Dorestad (Wijk bij Duurstede) geslagen na 793.

 

1300-1400

Pas in de 14e eeuw begon in de Nederlanden de groei van de geldeconomie, er circuleerden b.v. Schilden uit Frankrijk en Nobels uit Engeland en de dubbele Groot, de Groot, de halve Groot en de kwart Groot uit de Nederlanden. (In de 13e eeuw was de Karolingse zilveren penning nog de enige muntsoort, in die eeuw werd daar de Groot van 12 penningen aan toegevoegd deze Groot werd in de Nederlanden de basis van het muntstelsel). Door het grote aantal muntsoorten leverde de boekhoudkundige verwerking van betalingen nogal eens problemen op, daarom vertaalde men de ruilwaarde van iedere munt eerst in een standaard rekeneenheid, daarin werd het bedrag geboekt. De bekendste rekeneenheid was het pond dat onderverdeeld was in 20 schellingen (s) van 12 penningen.

In 1574 had men in Holland de volgende koperen munten: Oord of dubbele Duit (gewicht ca. 4 gram), Duit (gewicht ca. 2 gram) en de Penning of halve Duit (gewicht ca. 2 gram).