Belastinggaarder

 

DE TIENDEN EN DE TIENDE PENNING.

DE 100e PENNING

 

 

Een tiende - in later eeuwen meestal 'tiend' genoemd -was een belasting (gewoonlijk tien procent) op gewassen en op jongen van dieren. Men moest de belasting betalen als men gewassen en dieren had geteeld op de grond van een ander.

Vóór die tijd (400-500 De Merovingse koningen (Merovech overl. in 456 t/m Chlodovech II t/m 657)) kende men voornamelijk twee belastingen: hoofdgeld (voor hen die geen grond- belasting betaalden) en grondbelasting (de gebruiker van de grond betaalde).

In de tijd van Karel Martel (in 717 bij de dood van zijn vader 25 jaar oud) werden op grote schaal aanvallen gedaan op de bezittingen (landerijen) van de kerk, deze werden door hem geconfisqueerd en gegeven aan machtige vazallen. De kerk werd daarmee van haar inkomsten beroofd zodat haar taken van armenzorg, ziekenverpleging en eredienst gevaar begonnen te lopen. Pippijn de Korte (koning der Franken 754-768) zag in dat daarmee indirect de staat werd ondermijnd. Teruggeven van de bezittingen aan de kerk was ondenkbaar, het volgende werd bedacht: de geconfisqueerde kerkelijke bezittingen werden door de vazallen aan de koning teruggegeven en onmiddelijk daarna weer door hem aan hen teruggeleend, waarbij de vazal een tiende van de opbrengst moest afstaan aan de oorspronkelijke eigenaar. Hiermee waren de kerkelijke tienden geboren, maar had ook het leenstelsel zijn intrede gedaan.

De tiend, die, zoals we zagen, oorspronkelijk in natura werd betaald, werd door de tiendplichtige boer aan de tiendweg klaargezet, zodat de tiendgerechtigde hem kon meenemen. De tiende is van religieuze oorsprong. Deze belasting bestond al bij de oudtestamentische joden. Zo beschrijft Genesis 28 hoe de aartsvader Jakob, die zojuist een visioen heeft gekregen waarin God aan hem verschenen is, een belofte aan God aflegt: "van alles wat Gij mij schenken zult, zal ik U stipt de tienden geven". De oude christenen namen het systeem over, en ook in het Karolingische Rijk was het op sommige plaatsen van kracht. De instanties waaraan betaald moest worden, waren aanvankelijk de kerken van de parochie. Later kwamen de rechten op tienden in handen van wereldlijke personen.

De tienden werden geheven op uiteenlopende zaken. Vrij gebruikelijk was een indeling in drie categorieën. Allereerst de grote of grove tienden, ook 'groftienden', 'korentienden', 'maaltienden' of 'gaffeltienden' genoemd. Deze hadden betrekking op 'veldvruchten' zoals koren, hennep, lijnzaad en dergelijke. Dit type tiend werd bijvoorbeeld neergezet aan de Tiendstraat in Rotterdam, zo mogen we opmaken uit hetgeen Johan Okkema schrijft in zijn boek De straatnamen van Rotterdam. Deze straat ligt nu ruimschoots binnen de bebouwde kom, maar was in 1358 -de periode waarover Okkema spreekt - nog volkomen landelijk van karakter. De tweede categorie, de kleine of smalle tienden (ook 'smaltienden' genaamd), werd geheven op 'tuinvruchten' als erwten, bonen, wortelen, hout, gras, hooi, rapen, radijs en kool - om maar iets te noemen.

De helderste categorie lijkt die van de zogenoemde krijtende tienden, ook 'bloedtienden' of 'beestentienden' geheten. Deze groep omvatte in principe alle dieren en hun voortbrengselen (zoals eieren), dus bijvoorbeeld lammeren, biggen, kalveren, veulens, ganzen en ander gevogelte. Het woord krijten slaat op het min of meer schorre geluid dat de dieren in kwestie produceren. Subtielere geesten maakten de zaak echter ingewikkelder en onderscheidden binnen deze derde categorie nog een aparte groep: de 'kriekende' tienden. Krieken is een oud woord voor 'tsjilpen', en werd gebruikt in verband met krekels. Kriekende tienden hadden betrekking op ganzen, eenden, zwanen en ... bijen.

Het kwam wel eens voor dat de tiend aan de weg was gezet zonder dat de tiendheffer kon beoordelen of het echt wel een tiende van de hele oogst was. Het Utrechts Placaetboek bevatte dan ook de volgende bepaling over het innen van de korentienden:

"Den tiendheer (...) mag om te vertienden [= de tiend vast te stellen] inryden en beginnen, aan wat hoek van 't koorn dat hem gelieft."

En in de Costumen van het Vrije van Brugge staat een bepaling uit 1542 die inhoudt dat de tiendplichtige boer zijn vruchten niet van het land mag halen

"ten zy dat de gheheele plaetse ghestelt zy in hoopen [= porties], omme daer naer byden thiendenaere te verthiendene al-zoot behoort".

En in het oude Burgerlijk Wetboek stond nog deze bepaling:

"De schuldpligtigen (...) zijn verpligt de hoopen of schoven gedurende vier en twintig uren op hunne akkers te laten staan, na vooraf den tiendheffer (...) te hebben doen verwittigen."

De tienden moeten overigens niet worden verward met de beruchte tiende penning, die de hertog van Alva in 1568 in de Nederlanden probeerde in te voeren. De tiende penning was een belasting in geld, op de verkoop van onroerend goed. Belasting in natura is niet altijd handig, en op den duur werden ook de tienden meestal in geld voldaan. Zo lezen we in het Groot Gelders Placaetboeck over een bepaling uit 1670 die inhield dat de tabakstiend

"voortaen betaelt sal worden met ses guldens".

Maar ook de gemoderniseerde techniek om tienden te heffen riep verzet op. In 1907 werd het tiendensysteem opgeheven .

 

1544-1581 De 100e penning



Onder keizer Karel V werden er in de jaren 1542-1555 een reeks ongebruikelijke directe heffingen doorgevoerd om de buitengewone beden op te brengen: een 100ste penning (=1 %) op de uitgevoerde waren, een 10de penning (=10%) op de handelswinsten, een 10de penning op de huurwaarde van onroerende goederen, en zelfs een 10de penning op de lonen van het dienstpersoneel.

Ook Filips II wilde in dezelfde richting doorgaan en vroeg in 1556 aan de Staten-Generaal toelating om een 100e penning op het onroerend vermogen en een 50e (=2%) op het handels- en industriekapitaal te heffen. Er kwam hevig protest, vooral in Brabant, en hij moest zich tevreden stellen met een bede, waarin het Vlaams aandeel 800.000 gulden bedroeg. Het werd bijeengebracht met een 10e penning op de pachten en huren van onroerende goederen en met een 10e penning op de handelswinsten. In 1558-1560 probeerde de vorst nog eens zijn oorspronkelijk plan door te voeren; er werd een gelijkaardige bede toegekend die negen jaar lang doorliep en opgehaald werd met een 10e penning op de onroerende goederen en een 20e (=5%) op de handels- winsten.

De hertog van Alva tenslotte zou die centralisatiepogingen hernemen door het invoeren van belastingen die alle gewesten op dezelfde wijze zouden treffen en de vorst overvloedige en vaste inkomsten zouden verzekeren, terwijl door dit systeem van permanente belastingen de vorst bovendien minder afhankelijk zou zijn van de Staten, die immers in het oude stelsel telkens de beden moesten goedkeuren. Alva's systeem bestond uit een 100e penning als eenmalige heffing op het totale vermogen, een 20e penning te betalen bij elke verkoop van onroerende goederen, een 10e penning bij elke verkoop van roerende goederen en op de export

Tegen de permanente belastingen van de 20e penning en vooral tegen de 10e penning, die als exorbitant hoog werd beschouwd, brak het verzet los. Eerst aanvaardde Alva nog een bede, waarin Vlaanderen 650.000 gulden per jaar bijdroeg. Deze som werd opgehaald via een 20e penning op de onroerende goederen en een accijns van 10 sch. gr. per vat ingevoerde wijn. In juli 1571 werd dan de gematigde versie van de 10e penning (nu in feite 30e penning - 3,3%- geworden) en de 20e penning officieel afgekondigd. Het verzet werd nu zo algemeen dat Alva in mei 1572 elke verdere poging tot uitvoering moest staken. Hij verving de gehate 10e en 20e penningen dan maar weer door een bede, waarin het Vlaamse aandeel 650.000 gulden bedroeg. Doch over de modaliteiten van deze bede werd pas in 1574 (onder Requesens) beslist: ze zou opgebracht worden met een 10e en 20e penning op de huurwaarde van onroerende goederen en een 20e op de handelswinsten. In 1576 werden deze laatste penningen weer afgeschaft.

Na de Pacificatie van Gent, tijdens de Opstand tegen Filips II, werden er nog heffingen op gronden en huizen doorgevoerd: een 100e penning en een 5e penning. Na de herovering van de Zuidelijke Nederlanden echter haalden de accijnzen op de export en het goederenverbruik de bovenhand. In de 17de eeuw pas zouden weer directe belastingen geheven worden op onroerende goederen (de 20e penning of het huisgeld). Het stadsarchief bewaart de kohieren opgemaakt voor de heffingen op de onroerende goederen in Vlaanderen, echter niet deze van de 100ste penning. Ze bevatten lijsten van de belastingplichtigen, opgemaakt volgens een vast schema en per parochie. Ze werden alfabetisch geklasseerd op de parochie- of gemeentenamen.